Algemene kerkvergaderingen waartoe alle bisschoppen worden opgeroepen.
Sinds Constantijn de Grote het christendom als toegestane godsdienst erkende (313 n.Chr.), werden synodes of concilies (respectievelijk Grieks en Latijn voor ‘vergaderingen’) gehouden waarop vele bisschoppen bijeenkwamen en waarvan de meeste besluiten in de hele kerkelijke wereld geaccepteerd werden. Aan die acceptatie droeg bij dat de concilies door de keizer als ‘Gods vertegenwoordiger op aarde’ werden bijeengeroepen. Als oecumenische concilies worden door de Rooms-Katholieke en de Oosters- orthodoxe kerk (orthodoxe kerken) zeven concilies geaccepteerd, die alle in het oostelijke deel van het Romeinse rijk werden gehouden. Het zijn de synodes van Nicea (325), Constantinopel (381), Efeze (431), Chalcedon (451), Constantinopel (553), Constantinopel (680-681) en Nicea (787).
De reformatorische kerken waarderen vooral de eerste vier concilies. Deze vier concilies handelden alle over de christologische strijd en zijn in die strijd van grote betekenis geweest.
Het concilie van Nicea werd in 325 samengeroepen door keizer Constantijn de Grote. De meeste bisschoppen kwamen uit het oosten van het rijk. Constantijn beoogde met deze algemene synode de eenheid van de wereldkerk te versterken. Die eenheid was in gevaar gekomen door het optreden van de Alexandrijnse priester Arius, die in het spreken over God de vader en God de zoon, het ondergeschikt zijn van de zoon aan de vader sterk benadrukte en zijn godheid loochende. De synode accepteerde met een overgrote meerderheid een geloofsbelijdenis waarin werd uitgesproken dat de zoon van hetzelfde wezen is als de vader (homoousios). Over Arius werd de banvloek uitgesproken.
Het concilie van Constantinopel werd in 381 door keizer Theodosius I bijeengeroepen in de nieuwe hoofdstad van het oostelijke rijksdeel, ‘het nieuwe Rome’. Op deze synode kwamen uitsluitend bisschoppen uit de oostelijke helft van het rijk. Hier werd een belijdenis aanvaard, sterk lijkend op die van Nicea, waarin bovendien werd uitgesproken dat de Heilige Geest dezelfde eer ontvangt als de vader en de zoon. Hierin sloot men zich voorzichtig aan bij het theologisch denken van de zogenaamde cappadociërs (kerkvaders). Een vorm van deze confessie, bekend als de belijdenis van Nicea (of van Nicea-Constantinopel), wordt wereldwijd door vele kerken nog steeds als belijdenisgeschrift aanvaard. Het concilie van Efeze in het jaar 431 handelde vooral over de leer van Nestorius, patriarch van Constantinopel. Nestorius was huiverig voor het monofysitisme van Cyrillus van Alexandrië, waardoor het echte mens-zijn van Christus op de achtergrond kwam. Hij stelde dat er in Christus twee van elkaar gescheiden naturen aanwezig waren. Hierdoor kwam echter de eenheid van Christus onder druk te staan. De synode besloot Nestorius te veroordelen en de benaming van Maria: theo-tókos (moeder van God) te handhaven.
Chalcedon herbergde in 451 het grootste oecumenische concilie. Het werd samengeroepen om in de lijn van Nicea en Constantinopel een uitspraak te doen in de kerkelijke strijd tussen aanhangers van de één- en die van de tweenaturenleer. De belangrijkste representant van het monofysitisme, Eutyches, was namelijk door regionale synodes eerst veroordeeld, maar later in ere hersteld. De 450 bisschoppen waren, op een enkele vertegenwoordiger van het Westen na (Rome), allen uit het Oosten afkomstig. De synode besloot de extreme standpunten van Nestorius (twee gedeelde naturen) en Eutyches (één vermengde natuur) beide af te wijzen.
Ze sprak de beroemde formule uit waarin ze via negaties het mysterie van Christus’ menswording probeerde uit te drukken: ‘één van wezen met de Vader naar zijn godheid en één van wezen met ons naar zijn mensheid; ons in alles gelijk, uitgenomen de zonde; van eeuwigheid uit de Vader gegenereerd naar zijn godheid, maar in het laatste der dagen terwille van onze zaligheid uit de maagd Maria, de moeder van God, geboren naar zijn mensheid; een en dezelfde Christus, Zoon, Heer, Eniggeborene, in twee naturen, onvermengd, onveranderd (contra Eutyches), ongedeeld, ongescheiden (contra Nestorius)’.
Met het tweede concilie van Constantinopel in 553, trachtte keizer Justinianus I de godsdienstige eenheid in zijn rijk te herstellen door drie vermeende Nestorianen te doen veroordelen. Zo hoopte hij de Monofysieten voor ‘Chalcedon’ te winnen. Het concilie besloot in deze geest, maar het beoogde doel werd niet bereikt. Dezelfde synode kende aan Maria de naam aeiparthenos (altijd-maagd) toe. Keizer Constantinus IV nam het initiatief voor het derde concilie van Constantinopel (680-681), dat de veroordeling door de paus van het monotheletisme (monofysitisme) volgde. De paus zelf was niet aanwezig; wel twee pauselijke gezanten.
Het tweede concilie van Nicea ten slotte werd in 787 bijeengeroepen door keizerin Irene; het maakte een eerder door een synode uitgesproken veroordeling van de beeldenverering ongedaan. De meeste bisschoppen (inclusief twee pauselijke gezanten) kwamen uit het westen. Met dit besluit kwam er een eind aan een langdurige beeldenstrijd.
Auteur
J.A. Meijer [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Leo Donald Davis, S.J., The first Seven Ecumenical Councils (325-787). Their History and Theology (Collegeville 1990)