Bisschoppen van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland.
De bisschoppen die na de herinvoering van het normale kerkelijk bestuur in 1853 (herstel der hiërarchie) benoemd werden in de kerkprovincie Nederland, werkten zelfstandig en autonoom in hun bisdom. Van een onderling samenwerkingsverband was geen sprake en ook vanuit het centrale gezag te Rome is de eigen verantwoordelijkheid van de individuele bisschop voor het pastorale beleid in zijn bisdom, altijd sterk benadrukt. Ten tijde van aartsbisschop J. Zwijsen vergaderden de vier Nederlandse bisschoppen hoogstens zesmaal per jaar, waarbij dan zaken ter sprake kwamen die landelijk van betekenis waren zoals onderwijs, verhouding tot de Nederlandse overheid, bijdragen aan de Heilige stoel en andere gezamenlijke financiële verplichtingen. Vanaf het begin waren er verschillen van inzicht. Gezamenlijke vastenbrieven (herderlijk schrijven) of andere mandementen waren zeldzaam. Dit heeft in grote lijnen geduurd tot 1940. De leidinggevende kwaliteiten van aartsbisschop J. de Jong (1936-1955) en de Tweede Wereldoorlog zorgden voor een grotere eenheid in het bisschoppencollege.
Het Tweede Vaticaans Concilie was aanleiding tot de formele oprichting van de Nederlandse bisschoppenconferentie, die sinds 1967 een eigen secretariaat heeft in Utrecht. Sindsdien werden veel initiatieven op liturgisch en pastoraal terrein door de gezamenlijke bisschoppen behartigd. Onder leiding van kardinaal B. Alfrink voeren de bisschoppen tijdens en na het Tweede Vaticaans Concilie een gematigd vooruitstrevende koers, waarbij de populaire bisschop van Den Bosch W.Bekkers en de organisator G. de Vet van Breda een belangrijke rol speelden. Zij slaagden er echter niet in de veel verder gaande opinies van het spraakmakende deel van de Nederlandse katholieken te matigen, waardoor katholiek Nederland ten tijde van het Nederlandse Pastoraal concilie de naam kreeg zeer progressief of zelfs revolutionair te zijn.
Als tegenwicht benoemde de paus in 1970 en 1972 behoudende bisschoppen (A. Simonis in Rotterdam en J. Gijsen in Roermond). Hierdoor ontstond een hevige polarisatie, die tot het eind van de jaren tachtig aanhield. De eigen verantwoordelijkheid van elke bisschop kreeg daardoor weer bijzondere nadruk, en zo kon bijvoorbeeld bisschop Gijsen in Roermond vaak een andere weg gaan dan zijn collega’s. Ook de verzoenende en diplomatieke opvolger van Alfrink, kardinaal J. Willebrands, slaagde er niet in de polarisatie te temperen. Om de eenheid in het bisschoppelijk beleid en onder de bisschoppen te herstellen, riep paus Joannes Paulus II de bisschoppen in 1980 voor een bijzondere synode bijeen, maar dit bracht weinig succes. Wel werden de tegenstellingen rond de eeuwwende wat minder en konden de bisschoppen in 1998 en 2004 vruchtbare Ad Limina-bezoeken aan Rome brengen.
Auteur
J. Peijnenburg [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
R. Auwerda, De kromstaf als wapen. Bisschopsbenoemingen in Nederland (Baarn 1988)
W. Goddijn, J. Jacobs, G. van Tillo, Tot vrijheid geroepen. Katholieken in Nederland 1946-2000 (Baarn 1999)
J. Roes en L. Winkeler, ‘Het Nederlands katholicisme’, in: Compendium voor politiek en samenleving in Nederland, B0900 (Deventer 2004)