Benaming die Franciscus van Assisi zichzelf en zijn gezellen heeft gegeven.
Een orde werden de minderbroeders pas echt door het goedkeuren van de regel in 1223. De naam houdt een programma in: minderbroeders leven als broeders van en met elkaar en in onderdanigheid aan alle mensen. Dat zij als broeders leven betekent: dat er geen onderscheid wordt gemaakt op grond van stand of ambt, dat de gezagsstructuren democratisch zijn en de broeders daadwerkelijk bekommerd zijn om elkaar. Dat zij als minderen leven betekent: dat zij zich rekenen tot de minsten in de samenleving en de armen als hun heren beschouwen. Van oorsprong vormen de minderbroeders meer een beweging dan een orde in de kerkelijke, juridische zin van het woord.
In hun oorsprong hadden de minderbroeders veel gelijkenis met andere boete- en vernieuwingsbewegingen, zoals die voorkomen in de kerk van de twaafde en dertiende eeuw. Ook de minderbroeders begonnen als een beweging van vooral leken, maar nog tijdens het leven van Franciscus zette zich een ontwikkeling in naar een gemeenschap van voornamelijk predikanten en zielzorgers. De minderbroeders gingen in kloosters wonen en theologie studeren. Deze ontwikkeling werd mede in gang gezet door de leiding van de kerk. Zij zagen bij de minderbroeders zo’n authentieke navolging van het evangelie, dat zij hen graag gebruikten bij de uitvoering van het program van vernieuwing en geloofsverdieping, dat door het Vierde Lateraanse Concilie (1215) in gang was gezet. Met deze ontwikkeling begon een geschiedenis van conflicten over wat de ware identiteit van de minderbroeders was. Er waren broeders die deze ontwikkeling toejuichten, maar ook die deze beschouwden als verraad aan de geest van Franciscus en zijn eerste broeders; zij bezaten immers nooit kloosters, hadden niet gestudeerd en geen enkele concessie gedaan aan de gelofte van armoede. Uit de groep die vast wilde houden aan de geest van Franciscus zouden later de spiritualen voortkomen. De andere groep heette ‘de communiteit’, omdat zij in kloosters gingen wonen en bereid waren daarvoor concessies aan de armoede te doen.
Onder Bonaventura kreeg de richting van de communiteit de overhand. De minderbroeders leefden voortaan in kloosters in de steden, waar vanuit zij hun werk in prediking en zielzorg deden. Maar in de loop van de geschiedenis zouden elke keer weer broeders opstaan die vonden dat het leven herijkt moest worden aan de geest van het begin en die broeders wisten te winnen voor een striktere observantie (onderhouden) van de regel. Zo ontstonden in de veertiende eeuw naast de communiteit de observanten, die sinds 1517 een zelfstandige orde vormen en zelf ook weer verscheidene vertakkingen hebben gekend. In het begin van de zestiende eeuw ontstonden de kapucijnen als een eigen hervormde orde.
In 1897 werden alle vertakkingen van de observanten door paus Leo XIII samengevoegd. Sindsdien bestaan de minderbroeders uit drie families: de minderbroeders-franciscanen, de minderbroeders-kapucijnen en de minderbroeders-conventuelen. De broeders van de verschillende families ervaren zichzelf steeds meer daadwerkelijk als familie van elkaar en als leden van de ene orde van de minderbroeders. Zij zien hun levenswijze van toewijding aan God, eenvoud in broederschap en onderdanigheid aan alle mensen als hun belangrijkste dienst aan kerk en samenleving. Zo willen zij een factor van vrede zijn en een teken dat mensen in Gods liefde en die van elkaar genoeg hebben om van te leven. Door de eeuwen heen hebben de minderbroeders talloze verantwoordelijkheden genomen in kerk en samenleving en zij doen dat nog. Zij werkten en werken in alle mogelijke vormen van zielzorg, geestelijke begeleiding, onderwijs en wetenschap en maatschappelijk dienstbetoon onder de armsten en de gemarginaliseerden.
Auteur
J. van den Eijnden [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Lazaro Iriarte, Geschiedenis van de Franciskaanse Beweging (Utrecht 1979)