Periode in de Europese geschiedenis tussen circa 500 en circa 1500.
Humanisten en geleerden uit de Renaissance gebruikten als eersten de term Middeleeuwen om neerbuigend de tien eeuwen geschiedenis aan te duiden die hun eigen, superieur geachte, tijd scheidden van de als cultureel hoogstaand beschouwde Grieks-Romeinse Oudheid. Traditioneel worden de Middeleeuwen onderverdeeld in de vroege Middeleeuwen (circa 500-circa 1000), de hoge Middeleeuwen (circa 1000-circa 1300) en de late Middeleeuwen (circa 1300-circa 1500).
Middeleeuws Europa was een landbouweconomie. De grote landbouwdomeinen werden uitgebaat volgens het hofstelsel met een centrale vroonhoeve en veel kleine pachthoeven. Het leenstelsel zorgde ervoor dat veel koninklijke domeingoederen in handen van vazallen of leenmannen belandden. De steden als centra van handel en nijverheid kwamen pas vanaf de hoge Middeleeuwen tot bloei. In de late Middeleeuwen waren maar twee regio’s sterk verstedelijkt, Noord-Italië en Vlaanderen. De bevolking was in grote mate afhankelijk van het klimaat. Zij liep tijdens de vroege Middeleeuwen gestaag terug. Een verbetering van het klimaat bracht in de hoge Middeleeuwen een bevolkingstoename en een culturele opbloei teweeg. De late Middeleeuwen kenmerkten zich door een sterke terugval van de bevolking door hongersnoden en de pestepidemie.
Tijdens de Middeleeuwen verbreidde het christendom zich over heel Europa. De kerstening gebeurde via de elite, die soms langs een ketterse omweg, zoals het arianisme, tot het katholieke geloof kwam. De kerkelijke structuur met bisdommen was geënt op de Romeinse districten (civitates). Het pausdom versterkte vanaf de Gregoriaanse hervorming zijn greep op de kerk en bande tijdens de investituurstrijd de wereldlijke invloed in kerkelijke aangelegenheden. De regel van Benedictus brak in de negende eeuw door in het Europese kloosterwezen. In de twaalfde eeuw zetten de cisterciënzers zich af tegen de rijkdom van de benedictijnen en Cluny. De bedelorden, zoals dominicanen en franciscanen, richtten zich tot de opkomende steden.
Het Latijn was de cultuurtaal. Bij de aanvang van de Middeleeuwen poogden klassiek geschoolde geleerden, zoals Boethius, zoveel mogelijk Griekse teksten naar het Latijn te vertalen. De antieke Latijnse teksten vormden samen met deze vertalingen, de bijbel en de geschriften van de kerkvaders, de basis voor de literaire cultuur. Pas tijdens de Renaissance van de twaalfde eeuw bereikten nieuwe klassieke teksten in Latijnse vertaling West-Europa. De volkstalen, zoals het Middelnederlands, braken vanaf de dertiende eeuw door in geschreven vorm. Alle kennis werd opgetekend in perkamenten en vanaf circa 1300 ook papieren handschriften. Europa maakte pas vanaf het midden van de vijftiende eeuw kennis met de boekdrukkunst. De religieuze instellingen monopoliseerden het onderwijs. Achtereenvolgens waren de abdijscholen, de kapittelscholen en de universiteiten de belangrijkste intellectuele centra.
Van de desintegratie van het Romeinse Rijk maakten Germaanse volkeren gebruik om hun heerschappij te vestigen. Enkel de Franken slaagden erin om een coherent rijk uit te bouwen, waaruit Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk ontstonden. De edelen maakten van het leenstelsel gebruik om hun macht uit te bouwen ten koste van de koningen. In de hoge en vooral de late Middeleeuwen bouwden verschillende vorstenhuizen staten uit. Terwijl in Zuid-Europa nog een geschreven recht gold, was de rechtspraak elders gebaseerd op het plaatselijk gewoonterecht. Het burgerlijk of Romeins recht werd enkel aan de universiteiten bestudeerd. Het andere geleerde recht, het kerkelijk recht, werd wel in de praktijk toegepast.
Auteur
Janick Appelmans [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J. Le Goff, De cultuur van middeleeuws Europa (Amsterdam 1987)
D.E.H. De Boer, J. van Herwaarden en J. Scheurkogel, Middeleeuwen (Groningen 1989)
D. Hogenelst en F. van Oostrom, Handgeschreven wereld (Amsterdam 1995)
J.A.F. Thomson, The Western Church in the Middle Ages (Londen 1998)
W. Blockmans en P. Hoppenbrouwers, Eeuwen des onderscheids (Amsterdam 2002)