Wijze waarop de Rooms-Katholieke Kerk Maria indachtig is, verschilt van die in andere westerse kerken.
Op grond van het Magnificat (Joh. 19:27 en Joh. 2:3-5) werd Maria door de eerste christenen gezien als oerbeeld van de kerk en als voorspreekster. Vanaf de tweede eeuw kreeg Maria bijzondere verering omdat zij zonder zonden was gebleven en moeder van God was. Het lijden van Maria, dat voortvloeide uit haar oerverbondenheid met Christus, werd toen aanleiding tot een nieuwe vorm van Mariaverering (mater dolorosa). Vanaf de zevende eeuw werden de titels van Christus (‘toevlucht’, ‘hulp’, middelaar, enzovoorts) op Maria overgedragen en werd zij aangeroepen als iemand die voorspraak doet bij Christus. Het tweede concilie van Nicea onderscheidde haar verering echter wel van de aanbidding van God.
In de hoge Middeleeuwen werd Maria vereerd als een ideale vrouwe. In de Nieuwe tijd vereerde men haar als schutspatrones tegen de oprukkende islam en bij de verovering van de nieuwe wereld. In de negentiende en twintigste eeuw ontstonden grote Mariabedevaartsoorden (bedevaart) en droeg de verering bij aan het besef dat de mens in Gods heilsbestel juist ingeschakeld wordt. Recent werd het beeld van Maria doordacht als oerbeeld van de redding van de mens door Jezus. Zij werd zo tot het beeld van de kerk.
Auteur
P. van Geest [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]