Het woord ‘liturgie’ wordt in meerdere betekenissen gebruikt.
Het kan verwijzen naar: a. alle christelijke rituelen, alle vormen van eredienst die binnen de verschillende christelijke kerken voorkomen; b. de liturgische rituelen, vormen van eredienst die binnen een bepaalde kerk of christelijke traditie gangbaar zijn. Zo spreekt men bijvoorbeeld van de Romeinse of de Byzantijnse liturgie; c. de orde van dienst van een bepaalde liturgieviering. Men spreekt bijvoorbeeld van de ‘liturgie van de paasnacht’ of van een bepaalde uitvaart; d. in de Byzantijnse traditie wordt het woord vooral gebruikt als aanduiding voor de eucharistieviering die de ‘goddelijke liturgie’ wordt genoemd.
In een meer toegespitste zin kan het verwijzen naar een van de orden van dienst voor de eucharistieviering die in gebruik zijn, bijvoorbeeld de ‘liturgie’ van Johannes Chrysostomos.
Het woord liturgie is afkomstig van het Griekse leitourgia, dat is samengesteld uit de woorden ergon (werk) en litos (van of voor het volk). In de Oudheid had het woord aanvankelijk geen specifiek religieuze betekenis. Het verwees naar een vorm van publieke dienstverlening ten behoeve van het volk, de gemeenschap. In de Septuagint, de Griekse vertaling van het Oude Testament, komt het woord frequent voor als aanduiding van de ‘dienst’ van de priesters en de levieten in de tempel te Jeruzalem, die werd verricht voor het welzijn van de gemeenschap. In het Nieuwe Testament wordt slechts één keer een liturgische bijeenkomst aangeduid met het woord ‘liturgie’ (Hand. 13:2). In alle andere gevallen waarin het voorkomt, verwijst het ofwel naar de rituelen van de tempel (die sterk verschilden van de liturgische bijeenkomsten van de christenen), ofwel naar de dienstbaarheid van christenen in een meer algemene zin.
In de vroege kerk werd het woord soms gebruikt als aanduiding voor de eredienst van de kerk of ook voor de eucharistieviering, maar dit gebeurde betrekkelijk zelden. In de westerse kerk komen wij het verlatijnste woord liturgia eeuwenlang helemaal niet tegen. Het duikt pas op in de zestiende eeuw in de geschriften van enkele humanisten. In eerste instantie werd het vooral gebruikt om de rituelen van de eucharistieviering uit de oosterse kerken aan te duiden (betekenis d) of om de verschillende oosterse en westerse liturgische tradities van elkaar te onderscheiden (betekenis b). Geleidelijk aan vond het, vooral onder rooms-katholieke liturgiewetenschappers, ingang als aanduiding van het geheel van de christelijke rituelen (betekenis a). De nadruk lag daarbij vaak op de uiterlijke vormgeving van de rituelen (vergelijk betekenis c) en niet zozeer op de theologische betekenis of de spirituele beleving ervan. Bovendien bestond de neiging om alleen die rituelen tot de liturgie te rekenen, die in de officiële liturgische boeken waren opgenomen (zogenaamde volksdevoties vielen er niet onder).
Sinds de tweede helft van de twintigste eeuw worden deze onderscheidingen steeds minder gemaakt. Het woord ‘liturgie’ verwijst dan naar de totaliteit van de christelijke rituelen, zowel de officiële als de minder officiële, en het onderscheid tussen uiterlijke vormgeving en gelovige of spirituele inhoud wordt doorgaans als principieel onjuist beschouwd. In deze integrale betekenis heeft het woord steeds meer ingang gevonden in de verschillende protestantse kerken.
Vanuit een antropologisch perspectief gezien behoort de liturgie tot het terrein van de rituelen.
Christelijke liturgische rituelen hebben met andere rituelen de volgende kenmerken gemeen:
ten eerste is er sprake van geordende en gestileerde handelingen die verlopen volgens een min of meer vast en voorspelbaar patroon, en teruggaan – of in ieder geval teruggevoerd worden – op een (oude) traditie.
Ten tweede is er sprake van een collectieve dimensie: rituelen veronderstellen de aanwezigheid van een gemeenschap en versterken omgekeerd het groepsen saamhorigheidsbesef. Hiermee hangt samen dat ze de grenzen van die gemeenschap ten opzichte van de buitenwereld markeren en afbakenen.
Ten derde vindt er communicatie plaats door middel van symbolen, zowel verbale (woorden) als niet-verbale (gebaren; beweging; voorwerpen met een symbolische betekenis). De symbolen hebben een open karakter: ze zijn niet gericht op het verschaffen van eenduidige informatie, maar kunnen een veelvoud van betekenissen en associaties oproepen. Precies daardoor zijn ze geschikt om een religieuze werkelijkheid op te roepen.
Ten vierde hebben rituelen een emotionele dimensie. De beleving ervan is niet alleen verstandelijk, maar vooral ook gevoelsmatig. In christelijke rituelen wordt net als in andere rituelen uitdrukking gegeven aan emoties, en anderzijds worden deze geordend en gekanaliseerd. Dit laatste geldt voor alle rituelen, maar heel in het bijzonder voor de zogenaamde rites de passage die verbonden zijn met belangrijke levensmomenten (geboorte; huwelijk; dood) en de seizoensovergangen (bijvoorbeeld midwinter; voorjaar).
Naast deze meer algemene kenmerken kennen christelijke rituelen ook een specifiek christelijke dimensie. Deze is nauw verbonden met de centrale betekenis van de bijbel en met de wijze waarop deze in de verschillende christelijke kerken en tradities wordt uitgelegd. Vanuit dat perspectief bezien is christelijke liturgie allereerst anamnese, gedenken van de gebeurtenissen die in het Oude en Nieuwe Testament worden beschreven: enerzijds de geschiedenis van het joodse volk en anderzijds de geboorte, het optreden, het lijden, de dood en de verrijzenis van Christus. Het gedenken van deze gebeurtenissen gebeurt met name in de dienst van het woord en in de dienst van de tafel (zie ook: eucharistieviering en avondmaal), maar vormt tegelijkertijd de basis van alle andere christelijke liturgievieringen: de doop en de overige katholieke sacramenten; de feesten en gedenkdagen gedurende het kerkelijk jaar en de getijden.
Kenmerkend voor christelijke liturgie is verder een samengaan van drie aspecten: het loven en prijzen van God, die de schepper is van al wat bestaat en die zich openbaart in de heilsgeschiedenis; het dankend gedenken van al wat God in het verleden heeft gedaan (in de geschiedenis van het joodse volk; tijdens het leven, het sterven en de verrijzenis van Jezus en eventueel in het leven van de heiligen) het bidden voor de kerk en de wereld. In klassieke gebeden is dit vaak verbonden met een aanroepen van de Geest (epiclese).
De christelijke liturgische tradities zoals wij die nu kennen, zijn het resultaat van een lange geschiedenis. De wortels van de belangrijkste christelijke rituelen (eucharistie; doop; paasfeest) gaan terug op joodse tradities waarmee Jezus en de eerste christenen vertrouwd waren. Deze zijn echter op een specifiek christelijke manier ingevuld en hebben vervolgens de meest uiteenlopende invloeden ondergaan: Griekse, Romeinse en in het westen: Frankisch Germaanse. Daarbij is vooral in de late Oudheid en in de Middeleeuwen het aantal liturgische rituelen sterk uitgebreid en tegelijkertijd geleidelijkaan vastgelegd. Op die manier ontstonden de verschillende liturgische tradities. In het Oosten ontwikkelde zich onder andere de Byzantijnse liturgie (naast vele andere oosterse ritussen) en in het Westen kreeg de Romeinse ritus in de tweede helft van de Middeleeuwen vrijwel een monopoliepositie.
De reformatoren van de zestiende eeuw hebben de middeleeuwse liturgie drastisch hervormd, wat leidde tot een aantal reformatorische liturgische tradities die, afgezien van bepaalde verschillen, een sterke nadruk op de bijbel en de verkondiging van het woord (van God) met elkaar gemeen hebben. De Rooms-Katholieke Kerk heeft in grote lijnen vastgehouden aan de liturgie zoals die zich aan het einde van de Middeleeuwen had ontwikkeld. In die traditie nemen de sacramenten en niet-verbale symbolen (zie: symboliek) een belangrijker plaats in dan in de reformatorische eredienst. Sinds een aantal decennia hebben in de meeste westerse kerken ingrijpende hervormingen plaatsgevonden (zie liturgische beweging). In de meeste kerken zijn die op dit moment nog in volle gang.
Auteur
Gerard Rouwhorst [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H. Wegman, Riten en mythen. Liturgie in de geschiedenis van het christendom (Kampen 1991)
P. Oskamp en N. Schuman, De weg van de liturgie. Tradities, achtergronden, praktijk (Zoetermeer 1998)
A. Chupungco (red.), Handbook for Liturgical Studies, 5 dln (Collegeville 1997- 2000)
M. Barnard & P. Post, Ritueel bestek. Antropologische kernwoorden van de liturgie (Zoetermeer 2001)