Jezus Christus, die leraar is en gezalfd met de Geest van waarheid, deelt het gezag waarmee hij onderwees met zijn volgelingen in de kerk.
De kerk heeft als opdracht de komst van het rijk van God te verkondigen, en te blijven in de waarheid. Dwaling moet worden voorkomen, en wat niet met de leer van Christus in overeenstemming is moet worden geweerd (1 Tim. 1:3-9). De inhoud van het geloof gaat het menselijk denken en spreken te boven. Niettemin heeft God zich in Christus op definitieve wijze geopenbaard. Hieraan ontleent de kerk de mogelijkheid om met gezag te onderrichten. In de loop der geschiedenis wordt in toenemende mate centraal, universeel gezag uitgeoefend om belangrijke onenigheid uit de weg te ruimen. Bisschoppen krijgen voor hun bisdom leergezag, dat zij in gezamenlijkheid door middel van concilies voor de gehele kerk uitoefenen. In de Middeleeuwen krijgt de bisschop van Rome, de paus, een steeds vooraanstaander rol, terwijl aan de andere kant de universitaire theologen leerden met een gezag dat niet onmiddellijk gelijkstond met het kerkelijke leergezag.
De reformatie betekende een breuk. Niet langer werd een constitutionele binding van het leergezag aan een kerkelijke instantie erkend. Onder invloed van reformatie en moderniteit, emancipatie en democratisering groeit ook het belang van de sensus fidelium, de geloofscompetentie die aan alle gelovigen wordt toegekend en duidt op het inzicht dat aanvaarding of verwerping door de gelovigen een wezenlijk onderdeel vormt van het gezag dat wordt uitgeoefend. De gelovigen in de kerk delen op onderscheiden wijze in het leergezag van Christus. Dit geldt op de meest algemene wijze voor ieder die in Christus is gedoopt, en op de meest hoge, authentieke wijze voor paus en bisschoppen, wier spreken geacht wordt begiftigd te zijn met de geestesgave van de onfeilbaarheid.
‘Het kerkelijke leergezag’ of ‘het magisterium’ is meestal de benaming voor het centrale leergezag van paus en bisschoppen. Men onderscheidt tussen gewoon en plechtig leergezag: het eerste komt toe aan het college van bisschoppen in overeenstemming met de paus; het tweede komt toe aan een concilie of ook aan de paus als hoofd van de kerk.
Onder recente pontificaten is met toenemende precisie bepaald op welke wijze gelovigen zich moeten verhouden tot het spreken van het leergezag over geloof en zeden. De omstredenheid van het kerkelijk spreken omtrent huwelijk en seksualiteit (encycliek Humanae vitae), de uitgesproken onmogelijkheid om vrouwen toe te laten tot de priesterwijding, de omstredenheid van de pauselijke onfeilbaarheid en ook de herinvoering van de eed van trouw voor kerkelijke gezagsdragers en theologen, vormen belangrijke momenten in deze ontwikkeling. Men onderscheidt inmiddels authentieke, definitieve en onfeilbare oordelen van het kerkelijke leergezag, die een steeds hogere graad van instemming van de gelovigen vergen (conform de Instructie over de kerkelijke roeping van de theoloog (1990) en de toelichting bij Ad tuendam fidem (1998)).
Ook de protestantse kerken kennen een kerkelijk leergezag. In de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland komt de taak aan de generale synode toe om te bepalen wat tot het belijden van de kerk behoort. Daarnaast is er sprake van ‘opzicht’ als taak van de gemeenteleden onderling: naar elkaar omzien, elkaar opbouwen, elkaar de vergeving Gods aanzeggen en zo nodig elkaar vermanen en dit vermaan ter harte nemen. Voorzover opzicht bovendien wordt toebedeeld aan ambtelijke vergaderingen, heeft het betrekking op ‘het geestelijk leven van de gemeenten, het gehoor geven aan haar roeping en de vervulling van ambten en andere diensten; de belijdenis en wandel van leden en ambtsdragers en van hen, die een andere dienst vervullen; en de verkondiging, de catechese en de opleiding en vorming van predikanten’ (artikel XII, 3, Ordinantie 10).
Zij verschillen grondig van mening met de katholieke kerk over de onfeilbaarheid hiervan, alsook over de gezagsstatus van het leerambt náást die van de heilige Schrift (het beginsel van sola scriptura). Mede om deze reden vormt het leergezag een van de centrale elementen in de oecumenische discussie tussen de kerken.
Auteur
Henk Schoot [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]