Lid (m/v) van de kerk van Christus, die niet tot de geestelijkheid behoort.
In strikt kerkrechtelijke zin behoren ook kloosterzusters en -broeders tot de leken. Het begrip wordt vooral in de katholieke kerken gebruikt; kerkelijke taken vielen aan de clerus toe, de taak van de overige gelovigen zou vooral bij niet-kerkelijke zaken ‘in de wereld’ liggen.
De reformatorische tradities hebben een religieus statusverschil tussen predikant en overige kerkgangers steeds willen uitsluiten. Sinds de jaren 1950 hebben vooruitstrevende katholieken getracht de leek te rehabiliteren door het accent te leggen op diens taken, rechten en verantwoordelijkheden in de kerkelijke gemeenschap. Dit streven is in opmerkelijke mate in de documenten van het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) gehonoreerd. Begin eenentwintigste eeuw lijkt zich echter een nieuwe clericalisering af te tekenen.
Auteur
Gian Ackermans [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
R.G.W. Huysmans, Het recht van de leek in de Rooms-Katholieke Kerk van Nederland (Hilversum 1986)
Peter Neuner, Der Laie und das Gottesvolk (Frankfurt am Main 1988)