In de vroegchristelijke kerk was, (koinè-)Grieks de taal die het vaakst werd gebruikt in de liturgie en bij interne bestuurlijke aangelegenheden.
In het westelijke deel van het Romeinse rijk gingen christelijke gemeenschappen zich vanaf het midden van de tweede eeuw steeds vaker van het Latijn bedienen. Dit zogenaamde (vroeg) christelijke Latijn wordt onder andere gekenmerkt door de grote hoeveelheid Griekse leenwoorden en door de betekenisverschuiving van klassieke woorden. Slechts in de vroege vijfde eeuw kwam, door toedoen van Hiëronymus, een algemeen gangbare complete bijbeltekst in het Latijn beschikbaar. Deze staat bekend als de Vulgaat. Korte tijd later, omstreeks het midden van de vijfde eeuw, was de liturgie in het Westen vrijwel geheel gelatiniseerd.
Binnen de Rooms-Katholieke Kerk bleef het Latijn tot het Tweede Vaticaans Concilie de exclusieve liturgische taal. Verder is het Latijn de officiële taal van de Heilige Stoel en is het, naast het Italiaans, de bestuurlijke taal van Vaticaanstad. Zie ook kerklatijn.
Auteur
Hans Cools [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
C. Mohrmann, Études sur le Latin des chrétiens, 4 vols. (Rome 1958-1977)