Gedeelte van een kerkgebouw waar het altaar is opgesteld, officieel als priesterkoor aangeduid.
Deze ruimte was oorspronkelijk voorbehouden aan de priesters. In de Byzantijnse kerken wordt het koor afgesloten door een wand met iconen, de iconostase. In de westerse kerk van de Middeleeuwen werd het koor bij kloosterkerken, kapittelkerken en kathedralen ook de plaats voor de monniken en kanunniken. Het werd vaak door een koorhek of oksaal van het kerkschip, de ruimte voor de leken, afgescheiden.
Na de Reformatie werd het koor vaak gebruikt als avondmaalsruimte, maar het kon ook andere functies krijgen.
Auteur
A.J. Looyenga [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]