Voorstelling van het kloosterleven, vastgelegd door de stichter van een kloostergemeenschap.
De kloosterregel dient tot inspiratie en tot regeling van praktische zaken. Het eigenlijke kloosterleven (in gemeenschap en volgens de evangelische raden) gaat terug op de vierde-eeuwse Egyptische monnik Pachomius.
Voor het kloosterwezen in het Oosten is de regel van bisschop Basilius van Caesarea (rond 360 in Cappadocië, het huidige Turkije) van grote betekenis geweest. Eigenlijk gaat het om twee regels, de uitvoerige en de korte. Zij zijn voornamelijk opgebouwd uit vragen van de leerling en antwoorden van de meester.
In het Westen heeft de regel van Benedictus van Nursia voor zijn monniken de meeste invloed gehad. Zij omvatten 73 hoofdstukken, die gedetailleerd
het leven van de communiteit regelen. Kenmerkend is de gematigdheid van de voorschriften. De regel die bisschop Augustinus van Hippo (354-430, Noord-Afrika) samenstelde, vond vooral ingang in het milieu van de reguliere kanunniken.
Een eerste beknopte regel voor zijn kleine kloostergemeenschap in Tagaste heeft hij in enkele jaren aangevuld en toegelicht. Franciscus van Assisi heeft als stichter der *minderbroeders zijn voorstelling van het ‘leven volgens het evangelie’ beschreven, die werd uitgewerkt in de zogeheten Regula non bullata, die naderhand op last van paus Innocentius III door juristen is uitgewerkt tot de Regula bullata. De erkenning van de orde van jezuïeten in 1540 gebeurde op basis van de door Ignatius samengestelde Formula instituti.
Latere kloostergemeenschappen, de congregaties, zowel van mannen als van vrouwen, hebben hun regelgeving vastgelegd in doorgaans uitgesproken juridisch georiënteerde constituties.
Auteur
Gian Ackermans [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Hans-Urs von Balthasar, Vijf bronnen van christelijke geest (Haarlem 1957)
Jacques Hourlier, L’âge classique, 1140-1378: les religieux (Parijs 1973)
Robert Lemoine, L’époque moderne, 1563-1789, vol.2: Le monde des religieux (Parijs 1976)