Uniforme dracht van kloosterlingen, die uitdrukking geeft aan hun religieuze identiteit.
Elke orde en congregatie ontwikkelde een eigen dracht. Typerende elementen zijn het habijt (lang bovenkleed) en schapulier (schouderkleed). Oorspronkelijk werd de keuze van de dracht vaak ingegeven door een streven naar eenvoud, maar door de ontwikkeling van modes in de buitenwereld ging kloosterkleding zich allengs ook sterker onderscheiden. Sinds de jaren 1960 dragen religieuzen in Nederland buitenshuis nog maar zelden kloosterkleding.
Auteur
Gian Ackermans [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen)]