Gebouw of complex van gebouwen, bestemd voor de huisvesting van mannen of vrouwen die in gemeenschap leven en de evangelische raden onderhouden.
In Midden- en West-Europa heeft de kloosterregel van Benedictus de vormgeving van het religieuze leven bepaald. De kern van het klooster vormde de kloosterkerk of -kapel, met aansluitend kloosterhof, omgeven door een kloostergang. Daaromheen bevinden zich gemeenschappelijke ruimten voor de kloosterlingen zoals de kapittelzaal of het kapittelhuis, de slaapzaal, de refter (eetzaal) met keuken, de bibliotheek en het gastenverblijf. De overste van het klooster (abt, prior) had de beschikking over een eigen woning. De toegang tot het eigenlijke woongedeelte van de kloosterlingen werd voor buitenstaanders beperkt door de clausuur. Tot het nagenoeg zichzelf onderhoudend complex behoorden ook schuren en werkplaatsen. Een apart type vormden vanaf de elfde eeuw de kartuizerkloosters, waar de monniken weliswaar voor het koorgebed naar de kloosterkerk gaan, maar in afzonderlijke cellen wonen. De bedelorden (minderbroeders, dominicanen) vestigden zich in de steden; hun kloosters waren daardoor kleiner.
Een nieuw kloostertype ontstond in de zestiende eeuw met de stichting van de orde van de jezuïeten; haar leden waren met het oog op hun pastorale activiteiten buitenshuis minder aan huis gebonden. Latere actieve religieuze gemeenschappen hebben dit patroon gevolgd. Contemplatieve communiteiten hebben intussen echter hun patroon gehandhaafd. Vrouwelijke kloosterlingen bleven door de kerkelijke regelgeving tot in de twintigste eeuw in hun klooster van de buitenwereld afgeschermd, overigens vooral om invloeden van buitenaf te weren. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) gaven leden van actieve orden en congregaties in Nederland er vaak de voorkeur aan gewone woningen te betrekken.
Auteur
Gian Ackermans [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Jan Verheyen, Middeleeuwsche Nederlandse kloosters (Amsterdam 1947)
Wolfgang Braunfels, Abendländische Klosterbaukunst (Keulen 1978)
Marianne Bernard, Kloosters: honderd wonderen van het Avondland (Alphen aan de Rijn 1994)