Geschiedenis van de kerk of het theologische vak dat deze geschiedenis tot object heeft.
Eusebius (gestorven in 339) geldt als de vader van het genre van de kerkgeschiedschrijving met zijn tiendelige Kerkgeschiedenis tot 324. In Nederland kwam het vak in de negentiende eeuw aan de universiteiten tot bloei. Kerkhistorici als J.G. de Hoop Scheffer, W. Moll, R.R. Post en P. Polman schreven op grond van het moderne kritische bronnenonderzoek de geschiedenis van de kerk in Nederland. Deze geschiedschrijving stond in het kader van de natievorming en, later die eeuw, van de kerkelijke richtingenstrijd binnen het protestantisme en de protestants-katholieke controverse.
In de twintigste eeuw stond de Nederlandse kerkgeschiedschrijving sterker in het teken van de oecumene. Internationaal gold de over de late Middeleeuwen en Reformatie publicerende Nederlander H.A. Oberman als toonaangevend kerkhistoricus. De belangrijkste ontwikkeling in het vak in de laatste decennia is zijn emancipatie van de theologie en de verbreding van de kerkgeschiedenis naar de bredere religiegeschiedenis.
Auteur
George Harinck [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Otto de Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis (Nijkerk 1972 3e druk)