Gebouw met als bestemming een kerk. Hierbij is onderscheid tussen kerkelijke gemeenschappen die het accent leggen op het avondmaal en zij die de verkondiging van het woord benadrukken.
Al vanaf de vroege christenheid ziet men een spanningsveld tussen deze twee hoofdelementen van de liturgie. In de Byzantijnse kerken is het accent duidelijk op het avondmaal komen te liggen, in de Rooms-Katholieke Kerk heeft de woordverkondiging meer gewicht dan in de Byzantijne kerken, maar ook daar krijgt het avondmaal een zeer sterke nadruk. In de reformatorische kerken valt het accent meer op de woordverkondiging, al zijn er tussen de reformatorische kerken wat dat betreft grote onderlinge verschillen. In de lutherse en anglicaanse kerken behoudt het avondmaal een belangrijke plaats, wat tot uiting komt in het handhaven van een altaar. In de calvinistische en doperse kerken ligt het accent op de verkondiging van het woord.
Het traditionele kerktype van het West-Europese christendom bestaat uit twee hoofddelen: het schip, de ruimte voor het kerkvolk, en het koor, de plaats van het altaar, gereserveerd voor de priester. Het schip kan bestaan uit één ongelede ruimte (eenbeukig) of zijn voorzien van zijschepen of zijbeuken. In dat geval kan de architectonische vorm variëren van basiliek tot hallenkerk. In vele gevallen is een dwarsschip of transept aangebracht, waardoor het kerkgebouw een kruisvormige plattegrond heeft gekregen. Het koor kan zijn voorzien van zijkoren voor zijaltaren of van een omgang, al dan niet voorzien van kapellen. Kerkgebouwen kunnen zijn voorzien van een toren, die al in een vroeg ontwikkelingsstadium werd gebruikt om klokken in onder te brengen.
De reformatorische kerken hebben dit kerktype in vele gevallen zonder al te grote wijzigingen overgenomen. De kerken uit de lutherse en anglicaanse tradities hebben meestal een afzonderlijk koor met altaar. In Duitsland ontstond in sommige streken, met name in Midden-Duitsland, het kanselaltaar, een combinatie van altaar en preekstoel. In de calvinistische en doperse tradities kwam dikwijls het koor als afzonderlijke ruimte te vervallen, al werd het soms als afzonderlijke avondmaalsruimte gebruikt.
In de Nederlandse calvinistische kerken werd de preekstoel het centrale element in de kerk. Hij werd omringd door een doophek, en de gemeente schaarde zich daaromheen. Pas in een betrekkelijk laat stadium kreeg in het Nederlandse protestantisme de kansel de dominerende plaats die voorheen aan het altaar was voorbehouden.
Auteur
A.J. Looyenga [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]