Deel van de kerkorde dat uiting geeft aan de verantwoordelijkheid van de leden van een kerk voor het gedrag van hun medechristenen.
De kerkelijke tucht is door Christus ingesteld (Mat. 16: 19-20 en 18: 15-18) en aan de ambtsdragers toevertrouwd met als doel: het eeuwig behoud van de mens. De tucht is belangrijk voor de opbouw van het geestelijk leven van de gemeente en de bewaring van de orde in het leven en het werk van gemeente en kerk. De ambtsdragers kunnen tucht uitoefenen door onderling vermaan, ontzegging van de sacramenten en uitsluiting uit de gemeente. De tucht betreft ook de ambtsdragers zelf, in die gevallen dat door hun levenshouding het ambt ernstig geschaad wordt. De uitoefening van de tucht kan in dit verband zelfs tot schorsing en outzetting uit het ambt leiden.
Auteur
H.C. Endedijk [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]