Leiding die zich richt op het functioneren van kerk en gemeente als vierende en wervende geloofsgemeenschap.
In kerkelijke kring spreekt men liever van leiding, omdat zij aan wie de leiding is toevertrouwd, geroepen zijn de geloofsgemeenschap voor te gaan in de gehoorzaamheid aan en de verkondiging van het woord van God. In de Rooms-Katholieke Kerk is deze leiding toevertrouwd aan de gewijde priesters die als pastoor leiding geven aan de parochie, als bisschop aan de plaatselijke kerk (dat is het bisdom/diocees) en als paus aan de universele kerk. Dit leiderschap wordt unipersonaal uitgeoefend. Zij die tot leiding geven geroepen zijn, staan in een hiërarchische verhouding tot elkaar (hiërarchie), ook al hebben zij elk hun eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheid. Het systeem is episcopaal-hiërarchisch.
In de reformatorische kerkgemeenschappen van het gereformeerde type is de leiding van de kerk toevertrouwd aan de ambtsdragers gezamenlijk. Zij oefenen hun ambt collegiaal uit in de ambtelijke vergaderingen. Voor de gemeente is dat de kerkenraad (het presbyterium), voor de in een classis samengebrachte gemeenten de classicale vergadering, voor de (kerk)provincie de particuliere of provinciale synode en voor de (landelijke) kerk de (generale) synode. Het leiderschap wordt uitgeoefend in samenspraak met de leden van de gemeente, maar niet in onderworpenheid aan hen. Het systeem is presbyteriaal-synodaal.
In geloofsgemeenschappen van het congregationele type wordt het leiderschap uitgeoefend door de vergadering van gemeenteleden (de congregatio). De gemeenteleden kiezen een kerkenraad die optreedt als dagelijks bestuur en aan de vergadering van gemeenteleden verantwoording schuldig is. Gemeenten van dit type zijn, als zij al met andere gemeenten een verband vormen, onafhankelijk ten opzichte van elkaar. Besluiten van een bovenplaatselijk orgaan dienen dan ook door de vergadering van gemeenteleden te worden geratificeerd. Het systeem is congregationeel-independent.
De bevoegdheid tot leidinggeven is te onderscheiden in de potestas docendi, de bevoegdheid om leeruitspraken te doen; de potestas regiminis, de bevoegdheid om regels te stellen voor het kerkelijk leven en die te handhaven; de potestas disciplinae, de bevoegdheid om recht te spreken. Daar wordt ook wel aan toegevoegd de potestas clavium, de bevoegdheid uit te sluiten uit de gemeenschap van de kerk, uitgeoefend in de prediking en de bediening van de sacramenten. De leidinggevende instanties kunnen zich laten bijstaan door hulporganen die een uitvoerende, een adviserende of een meebeslissende taak hebben. Te onderscheiden is tussen enerzijds raden of colleges die een min of meer nevengeschikte positie kunnen hebben ten aanzien van de instantie waar zij hulporgaan van zijn en van wie de positie veelal is verankerd in de kerkorde, en anderzijds commissies die werken in opdracht van, onder verantwoordelijkheid van en in verantwoording aan de instantie die ze heeft ingesteld.
Voor het beheer van de financiële zaken van de parochie of gemeente zie: kerkelijk beheer.
Auteur
L.C. van Drimmelen [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
T.J. van der Ploeg, A.P.H. Meijers en L.C. van Drimmelen, ‘De bevoegdheid van kerkelijke organen’,
in: L.C. van Drimmelen en T.J. van der Ploeg (red.), Kerk en recht (Utrecht 2004)