Wijze waarop de kerk geleid wordt. De grondlijnen voor het bestuur van de Rooms-Katholieke Kerk zijn te vinden in het kerkelijk wetboek, de Codex Iuris Canonici van 1983.
Bestuur heeft verschillende betekenissen: de bezigheid van besturen, de bevoegdheid daartoe, en de persoon of het orgaan aan wie bestuur toekomt. Het leiden van katholieken geschiedt in de brede zin door verkondiging en catechese, liturgische vieringen en individueel pastoraat. Een bijzondere rol speelt hierin het kerkelijke leergezag, (magisterium) van paus en bisschoppen met zijn leeruitspraken en leerstellige veroordelingen inzake geloof en zeden. Deze verplichten katholieken tot instemming, afhankelijk van de zekerheid over de band van deze leeruitingen met de goddelijke openbaring ofwel het geloofsgoed, het depositum fidei, dat Christus aan de kerk heeft toevertrouwd.
Besturen in strikte zin omvat beleidsbepaling, uitvaardiging van wetten, voorschriften, richtlijnen en instructies, rechtspraak, vermaning, berisping en bestraffing, benoeming van bisschoppen, priesters en andere katholieken en talloze andere beschikkingen, decreten en besluiten voor afzonderlijke gevallen. De bevoegdheid daartoe komt fundamenteel toe aan bisschoppen en priesters, die door wijding bestemd zijn om overeenkomstig hun kerkelijk ambt de bestuurstaak voor de gelovigen te vervullen. Deze bevoegdheid heet nu in het Wetboek bestuursmacht, vroeger jurisdictiemacht. Zij wordt onderscheiden in wetgevende, rechterlijke en uitvoerende macht.
Terwijl de Nederlandse Grondwet en rechtscultuur wetgeving, rechtspraak en bestuur onderscheiden en toebedelen aan verschillende organen ofwel machten, omvat in het kerkrecht bestuursmacht wetgeving, rechtspraak en uitvoerende macht. Deze zijn in de hoofddragers ervan, de paus en de diocesane bisschoppen, verenigd. De uitvoerende ofwel administratieve macht, in het gewone taalgebruik aangeduid met bestuursmacht, is dagelijks in de kerk het meest aan het werk. Een bisschop, priester of een andere katholiek ontvangt een bepaald deel van de kerkelijke bestuursmacht die krachtens goddelijke instelling in de kerk bestaat, door toekenning van een kerkelijk ambt, waaraan een omschreven machtsomvang verbonden is. De aard van het pastorale ambt is de maat van de omvang van de daarvoor nodige macht. Een katholiek ontvangt door zijn ambt zoveel macht als nodig is om dat ambt goed te kunnen behartigen. Wordt een priester gewijd tot bisschop van een bepaald bisdom, dan ontvangt hij de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht van het ambt van diocesaan bisschop, zoals door het wetboek omschreven. Wordt een katholiek aangesteld tot diocesaan rechter, dan verwerft hij de rechterlijke macht die het wetboek aan dit ambt verbindt. Verliest iemand zijn ambt, bijvoorbeeld door emeritaat of verplaatsing, dan raakt hij ook de daarmede verbonden macht kwijt. In de eigenlijke zin houdt bestuursmacht een vorm van juridisch verplichtend gezag in over priesters en rooms-katholieke gelovigen. Daarom hebben dekens, dekenale coördinators, pastoors, parochieadministrators, kapelaans, pastoraal werk(st)ers, rectoren, legeraalmoezeniers, gevangenispastores, geestelijk verzorgers in zorginstellingen geen kerkelijke bestuursmacht. Zij hebben slechts eenvoudige, inrichtende bevoegdheid voor hun werk voor de mensen en voor de plaatselijke organisatie ervan, bijvoorbeeld de parochie.
Universele wetgevende macht voor de gehele kerk bezitten de paus, de bisschop van Rome, en het oecumenisch concilie. Ondergeschikt daaraan komt zij toe aan de afzonderlijke diocesane bisschoppen voor hun eigen bisdommen, aan hun particuliere concilies voor de desbetreffende gebieden, en beperkt aan de veelal landelijke bisschoppenconferenties. Deze laatste zijn echter eerder bedoeld om door uitwisseling en contact gezamenlijk sommige pastorale taken uit te oefenen dan om de landelijke kerk collegiaal te besturen. In de kloosterorden en congregaties dragen wetgevende macht: de gekozen kapittels van de religieuzen, de generale voor het gehele instituut, en de provinciale voor een landelijk deel ervan. Kerkelijke wetten, waartoe zonder bijzonder pauselijke toestemming of goedkeuring de Romeinse Congregaties en Raden als uitvoerende organen niet bevoegd zijn, heten ook vaak decreten.
Rechtsprekende macht, die tot rechterlijke uitspraken leidt, waaronder ook bestraffing, komt toe aan de paus en aan de rechtbanken van de Romeinse curie; de Romeinse Rota voor beroepen in tweede of derde instantie vanuit de bisdommen, vooral inzake processen over de ongeldigheid van huwelijken; aan de hoogste rechtbank van de Signatura Apostolica voor rechtstwisten over beschikkingen van de Romeinse bestuurscongregaties; aan de Apostolische Paenitentiarie voor rechtsproblemen van gelovigen in het verborgen, inwendige bereik; en ten slotte aan de congregatie voor de geloofsleer voor ernstige misdrijven tegen het geloof of de zeden en in de bediening van de sacramenten.
In de bisdommen is iedere diocesane bisschop rechter van eerste instantie. Zijn rechterlijke macht oefent hij gewoonlijk uit door een gerechtsvicaris ofwel officiaal en andere diocesane rechters, geestelijken of leken. Diocesane kerkelijke rechtbanken heten in Nederland officialaten. Rechtbanken kunnen ook interdiocesaan georganiseerd zijn. Zij beoordelen bijna uitsluitend verzoeken tot ongeldigverklaring van huwelijken, maar kunnen ook voor strafzaken worden ingeroepen. De religieuze kloosterorden en congregaties kunnen eveneens organen van rechtspraak hebben.
Uitvoerende, administratieve macht, in het gewone taalgebruik bestuursmacht genoemd, bezitten naast het staatssecretariaat, de congregaties en raden van de Romeinse curie voor de hen toegewezen terreinen en taken, een soort pauselijke bestuursdepartementen. Congregaties zijn er in Rome voor de geloofsleer, voor de 0osterse kerken, voor de goddelijke eredienst en de discipline van de sacramenten, voor de heiligverklaringen, voor de bisschoppen, voor de evangelisatie van de volken (vroeger congregatie voor de voortplanting des geloofs ofwel de propagande fide geheten), voor de geestelijken, voor de religieuzen en ten slotte voor de seminaries en studieinstellingen (katholieke opvoeding ofwel onderwijs). Van de raden zijn vooral bekend die voor de leken, voor de bevordering van de eenheid van de christenen (vroeger het Secretariaat voor de eenheid) en voor gerechtigheid en vrede (justitia et pax). Iedere diocesane bisschop bezit uitvoerende macht voor zijn bisdom, die, afhankelijk van zijn mandaat, ook uitgeoefend wordt door zijn vicaris-generaal en zijn eventuele vicaris-episcopaal. Deze laatste is soms territoriaal vicaris vanwege zijn bijzondere zorg voor een bepaald gebied van een bisdom. Hoewel de deken nog steeds bisschoppelijk vicaris buiten de bisschopsstad heet, heeft hij sinds het concilie van Trente (1545-1563) geen uitvoerende macht meer, alleen wakende en coördinerende bevoegdheid.
De parochies in Nederland kennen allemaal een kerkbestuur ofwel parochiebestuur. Juridisch betekent bestuur hier de leiding van de parochie als rechtspersoon in vermogensrechtelijke zaken, onder het gezag van de bisschop. Het kerkbestuur heeft geen bestuursmacht over de parochie als gemeenschap van gelovigen. Hiervoor bezit, eveneens onder bisschoppelijk gezag, de pastoor of diens plaatsvervanger eenvoudige, inrichtende bevoegdheid. In de religieuze kloosterorden en congregaties dragen de generale en provinciale oversten, de generaals en provinciaals, in belangrijke kwesties samen met een gekozen raad, uitvoerende macht. In de hiërarchische inrichting van de kerk staan ten dienste van de paus en de bisschoppen in hun wetgevende en uitvoerende bestuurstaak adviescolleges zonder beslissingsmacht ter beschikking, zoals de bisschoppensynode en de diocesane pastorale raden en priesterraden. In het wetboek heten de paus, de diocesane bisschoppen, hun uitvoerende vicarissen en de generaals en provinciaals van priesterreligieuzen ordinarius, in het Nederlands ordinaris, omdat zij krachtens hun ambt gewone dragers van bestuursmacht zijn.
Auteur
R.G.W. Huysmans [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
R.G.W. Huysmans, Algemene Normen van het Wetboek van Canoniek Recht. De Normis Generalibus (Leuven 1993)
F.Akveld, De Romeinse Curie. De geschiedenis van het bestuur van de wereldkerk (Nijmegen 1997)
Kurt Martens, De paus en zijn entourage (Leuven 2003)
R.G.W. Huysmans, ‘Het bestuur van de rooms-katholieke kerk in Nederland sinds 1853’, in Trajecta. Tijdschrift voor de geschiedenis van het katholiek leven in de Nederlanden, XII, (2003) 2, 198-227