Gemeenschap van gelovigen.
In de geloofsbelijdenis van Nicea worden vier eigenschappen van de kerk genoemd: eenheid, heiligheid, katholiciteit (algemeenheid) en apostoliciteit. De theologische bezinning op het wezen van de kerk heeft zich altijd op deze eigenschappen geconcentreerd. Aan de eenheid van de kerk wordt al in het Nieuwe Testament veel aandacht besteed. Dat geldt zowel voor de evangeliën (bijvoorbeeld Joh. 17:20-23), als voor de brieven (bijvoorbeeld Ef. 4:1-6). Deze eenheid heeft een geestelijk karakter: door de geest van Jezus Christus zijn de gelovigen met hem en met elkaar verenigd. Tegelijk gaat het om eenheid in de waarheid, door de
gezamenlijke gehoorzaamheid aan het woord van God (Joh. 17:17). In de derde plaats is het ook een zichtbare eenheid, zelfs zozeer dat daardoor de wereld Christus zal erkennen.
Veel discussies over de eenheid van de kerk gaan over de verhouding van deze aspecten. Terwijl vanouds in de rooms-katholieke ecclesiologie de zichtbare eenheid centraal stond, benadrukten de reformatoren de geestelijke eenheid, die eenheid in de waarheid is, omdat de geest nooit los te maken is van het woord.
De heiligheid van het volk van God is al in het Oude Testament een belangrijk gegeven: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig’ (Lev. 11:44-45). In het Nieuwe Testament wordt daarop teruggegrepen (1 Petr. 1:16). Hieruit blijkt dat het bij de heiligheid van de kerk zowel om een gave gaat als om een opgave: de kerk deelt in de heiligheid van God door de Heilige Geest van Jezus Christus. Tegelijk is ze geroepen om naar die heiligheid te leven: zichzelf te wijden aan de eer van God. Zo bezien heeft de kerkelijke tucht alles met de heiligheid van de kerk te maken.
De katholiciteit van de kerk heeft een kwantitatief en een kwalitatief aspect. ‘Katholiek’ komt uit het Grieks en betekent: betrokken op het geheel. Kwantitatief heeft de katholiciteit te maken met de uitgebreidheid van de kerk over heel de wereld en door al de eeuwen. Kwalitatief gaat het om de betrokkenheid op de volheid van Gods genade in Christus (zie Ef. 1:23). Het kwalitatieve aspect is in de theologische discussies in de twintigste eeuw met veel nadruk naar voren gebracht. Ook in de roomskatholieke theologie wordt hieraan meer aandacht besteed dan vroeger.
De apostoliciteit van de kerk wordt in de reformatorische theologie verbonden met het gebouwd zijn van de kerk op het apostolisch fundament, een beeld dat in het Nieuwe Testament herhaaldelijk voorkomt, zoals in Matteüs 16:18, Efeziërs 2:20, Openbaring 21:14. Dan gaat het dus om de unieke plaats van de apostelen als oor- en ooggetuigen van Christus. Van dat getuigenis is de kerk afhankelijk. In de rooms-katholieke theologie wordt de apostoliciteit verbonden met de apostolische successie.
In de tweede helft van de twintigste eeuw kwam in de Nederlandse Hervormde Kerk de apostolaatstheologie op (J.C. Hoekendijk, A.A. van Ruler en anderen), waarin de apostoliciteit van de kerk gezien werd als haar roeping voor de wereld. De eigenschappen van de kerk geven aan wat de kerk is; haar kenmerken geven
aan waar de kerk staat. De Nederlandse geloofsbelijdenis wijst in artikel 29 op de zuivere bediening van Gods
woord, van de sacramenten en van de tucht. In de Nederlandse theologie heeft K. Schilder de betekenis van deze kenmerken sterk onder de aandacht gebracht.
Auteur
B. Kamphuis [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
K. Schilder, De Kerk (Verzamelde werken), 1-3 (Goes 1960-1965)
G. Philips, De dogmatische constitutie over de kerk ‘Lumen Gentium’, 1 en 2 (Antwerpen 1967-1968)
G.C. Berkouwer, De Kerk (Dogmatische Studiën), I en II (Kampen 1970-1972)
A. Houtepen, Mensen van God. Pleidooi voor de kerk (Hilversum 1983)
W. van ’t Spijker e.a (red.), De Kerk. Wezen, weg en werk van de kerk naar reformatorische opvatting
(Kampen 1990)