Vanaf de zestiende eeuw een ander woord voor preekstoel. Kansel is afgeleid van het Latijnse cancelli, dat traliewerk betekent.
De vroegchristelijke gemeente kwam samen in huizen, vaak vierkante ruimten. Aan één zijde zat de opziener (episkopos) te midden van de oudsten. Zittend achter de tafel op zijn cathedra gaf hij zijn commentaar bij de lezing van de Schrift. Later wordt de preek staande gehouden van achter een ambo of lezenaar. De middeleeuwse kerken hebben een schip, een ruimte waar veel mensen konden staan. Daar verhuisde de ambo naar een der pilaren aan de zijkant of terzijde van het koor, waar de altaartafel centraal stond. Deze preekstoelen werden in de tijd van de Renaissance verfraaid tot kunstwerken. De Reformatie plaatste de inmiddels verhoogde preekstoel als symbool van het woord van God en uitgerust met de Statenbijbel in het hart van het liturgisch centrum, met aan de voet een tafel en een doopvont. In moderne kerken staat als regel de tafel centraal en een kansel van bescheiden formaat meer terzijde.
Auteur
Gerben Heitink [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
C.A. van Swigchem e.a., Een huis voor het Woord. Het protestantse kerkinterieur in Nederland tot 1900 (Den Haag 1984)