Kerkelijke benaming voor rechtsmacht of rechterlijke bevoegdheid van ambtsdragers om leer en leven van voorgangers en hun kerkleden te beoordelen en zonodig te veroordelen.
De term stamt uit de Romeinse rechtspraak en is typerend voor de officiƫle bestuursmacht van de Rooms-Katholieke Kerk, waarbij de paus en de bisschoppen, als wettige opvolgers van de apostelen, de hoogste jurisdictie bezitten.
In het gereformeerde kerkrecht komt de term niet voor, al kent men daar wel de kerkordelijk vastgestelde bevoegdheid van kerkelijke vergaderingen om als rechtsinstantie op te treden. Zo is daar wel jurisprudentie ontwikkeld.
Auteur
H. Veldman [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]