Icoon (Grieks: eikoon, afbeelding, beeld, beeltenis).
De iconen zijn op hout geschilderde afbeeldingen (panelen), die Christus, Maria, apostelen, profeten, heiligen, engelen, bijbelse taferelen of kerkelijke feesten voorstellen en die in de Oosters-Orthodoxe kerk en vooral in de kerk in Rusland op bijzondere wijze worden vereerd. Zij vervullen een liturgische functie, want volgens de leer van verschillende kerkvaders bevatten de iconen een verkondiging van het heil door lijn en kleur. De iconen zijn waarschijnlijk ontstaan in de Egyptisch-hellenistische wereld (vóór de 4e eeuw) in aansluiting aan het Egyptische mummie-portret. De iconen geven een abstracte uitbeelding van het heilige, het bovenaardse, het eeuwige.
Van de 6e eeuw dateert de verdere ontwikkeling van de iconen, terwijl in de 11e/12e eeuw het hoogtepunt van de vormgeving in Byzantium bereikt is. De schoonste vormgeving ziet men in de 15e eeuw in Rusland (Andrey Rublew, 1370-1430). In de 16e eeuw begint vooral onder westerse invloed, de inzinking en wordt het eigen karakter van deze kunst langzamerhand aangetast. Desondanks is tot in onze tijd de iconen-verering zowel in de liturgie als in het persoonlijk godsdienstig leven kenmerkend voor de oosters-orthodoxe belijders.
Alle bijzonderheden betreffende de techniek enz. waren te vinden in speciale handboeken. Vooral is bekend het Schilderboek van de Athos of Hermeneia van Dionysios van Fourna, terwijl van de vele Russische die van Stroganov en Sija uit de 16e/17e eeuw tot de voornaamste behoren.
Bron
F.W. Grosheide e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 1958 2e druk)