De Rooms-Katholieke Kerk kent in beginsel geen herdoop: dit sacrament wordt niet herhaald.
In de vroege kerk groeide het sacrament van de biecht uit de vraag wat diende te gebeuren ter verzoening van geldige gedoopten die de gemeenschap met God hadden verbroken, bijvoorbeeld door doodzonde of geloofsafvalligheid. Veel moeilijker lag de geldigheidsvraag bij de doop door een onwaardige bedienaar (de zogenaamde ketterdoop). Uiteindelijk werd ook deze vraag positief beantwoord, vanuit de objectieve werkdadigheid ex opere operato van de doop. De katholieke kerk kent wel een ‘doopsel onder voorwaarde’, dat kan worden toegediend wanneer men niet weet of iemand al gedoopt is, of wanneer er twijfels zijn aan de geldigheid van een toegediende doop (het gebruik van water en het uitspreken van de formule ‘in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest’).
In protestantse kerken is herdoop geen gebruik. Wel komt het voor dat gedoopte christenen in bepaalde evangelische gemeenschappen opnieuw gedoopt worden. De Reformatorische kerken hebben een doop in de andere christelijke kerken altijd erkend. Op deze basis kon tussen de meeste christelijke kerken erkenning van elkaars doopsacrament tot stand komen. In Nederland was de voorwaardelijke herdoop van prinses Irene door kardinaal Alfrink in 1964 omstreden, maar leidde eveneens tot oecumenische toenadering. Zie ook: anabaptisme.
Auteur
Stijn van den Bossche [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder Lezen
T.F. Best & D. Heller, Becoming a Christian: The Ecumenical Implications of Our Common Baptism (Genève 1999)
‘Taufe’, in: Ökumenische Rundschau 53/3 (2004)