Predikant en hoogleraar (Rotterdam 11.4.1869 - Amsterdam 9.12.1938)
Studeerde theologie aan de Vrije Universiteit en de Rijksuniversiteit Utrecht, waar hij in 1903 promoveerde. Hij stond als hervormd predikant te Ommeren (1903-1906), Heemstede (1906-1910), Haarlem (1910-1917) en Amsterdam (1917-1931). Hij was ook bijzonder hoogleraar voor de apologie van het christendom te Utrecht (1926-1938) en gewoon hoogleraar voor godsdienstfilosofie en ethiek aan de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam (1931-1938).
Opgegroeid in de kringen van de doleantie ontwikkelde De Hartog zich tot een zelfstandig en origineel denker. Zijn denken laat zich typeren als ‘een laatste groots ontwerp van de theologie als metafysica’ en vormde zo een ‘apologie tegen modern atheïsme’ (A.J. Rasker). In 1908 richtte hij het apologetisch getinte tijdschrift Nieuwe banen op. Na een confrontatie met Domela Nieuwenhuis stichtte hij als tegenhanger van de vereniging van vrijdenkers ‘De Dageraad’, de vereniging ‘De Middaghoogte’.
Auteur
Dirk van Keulen [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J.N. IJkel, Bibliografie van Dr. A.H. de Hartog (1869-1938), met een biografische schets door O.J. de Jong (Utrecht 1988)
Zie ook
Arnold Hendrik de Hartog (2009)