Teken van zegening (Mar. 10:16) en van genezing en bevrijding (Luc.13:13).
Een echo daarvan is te vinden in de woorden van Christus: ‘en als ze aan zieken de handen opleggen zullen deze genezen zijn’ (Mar. 16:18). In de vroege kerk is de handoplegging vooral teken van mededeling van geestelijke gaven, vooral van de Heilige Geest (Hand. 8:17 en 19:6). De praktijk van de handoplegging als zegening en gebed om genezing is in de charismatische beweging weer tot leven gekomen. De handoplegging is ook teken van zending (Hand. 13:3 en 1 Tim. 4:14). Dit aspect leeft verder in de rooms-katholieke praktijk van de handoplegging bij het sacrament van de wijding, en in de protestantse- en pinkstertraditie bij de bevestiging in het ambt.
Auteur
J. van der Veken [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]