Deelterrein van de praktische theologie, opgekomen, toen in West-Europa en Noord-Amerika de secularisatie doorbrak en de kerkverlating inzette.
Het doel van gemeenteopbouw is de groei van de gemeente, zowel innerlijk en geestelijk als ook numeriek. Het aandachtsgebied heeft een duidelijk bijbelse achtergrond; men noemt soms Ef. 4:12 wel de magna charta van de gemeenteopbouw. Paulus spreekt hier van de opbouw van de gemeente als het lichaam van Christus met zijn vele leden. De eenheid van deze gemeente ligt in Jezus Christus zelf, die niet alleen de enige hoeksteen, maar ook het hoofd van de gemeente is. De kerkenraad en de ambtsdragers zijn verantwoordelijk voor de leiding van het proces, maar alle leden van de gemeente zijn verantwoordelijk voor de opbouw. Ieder die in levend geloof verbonden is met Jezus Christus, krijgt deel aan de gaven van de Geest (de charismata). Dit niet in de eerste plaats voor zichzelf, maar tot opbouw van de hele gemeente (Ef. 4:12) en via de gemeente tot beïnvloeding van de samenleving. In sommige ontwerpen van gemeenteopbouw valt alle nadruk op het laatste aspect; het gaat dan primair om de missionaire of diaconale gemeente. Dit concept heeft nogal eens haar uitgangspunt in een universalistische heilsleer. Er zijn ook concepten die uitgaan van de plurale kerk en de gedachte van een volkskerk. Hier probeert men zoveel mogelijk gedoopten binnen te leiden in de kerngemeente.
Auteur
K. Runia [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J. Hendriks, Een vitale en aantrekkelijke gemeente (Kampen 1990)
A.K. Ploeger en J.J. Ploeger-Grotegoed, De gemeente en haar verlangen (Kampen 2001)
J. Hendriks, Op weg naar de herberg (Kampen 2002)
M.A. Noorloos, Leven uit de bron. Via geloofsopbouw naar gemeenteopbouw (Kampen 2003)