Strijd in Frankrijk om de godsdienstvrijheid.
In Frankrijk heeft de reformatie haar bestaansrecht gedurende meer dan tweeënhalve eeuw moeten bevechten. Bijna al die tijd was de strijd buitengewoon gewelddadig, vooral door de vervlechting van de traditionele Rooms-Katholieke Kerk met de machtsstructuren van het koninkrijk. Aanvankelijk was koning Frans I (1494-1547) een interne hervorming van de staatskerk niet onwelgezind. Pogingen tot hervorming waren ondernomen door religieuzen en humanisten, maar zij kwamen in conflict met de orthodoxe theologische faculteit van de Sorbonne die koning Frans I op haar hand zou krijgen. Van paus Leo X had hij met militaire middelen het concordaat van Bologna (1516) en daarmee het benoemingsrecht van de hoge kerkelijke ambten afgedwongen. Voortaan bezetten diplomaten, krijgsheren en andere cliënten van de koning de zetels van bisschoppen en abten. Toen de hogere clerus in feite tot zijn machtsapparaat was gaan behoren, ging hij de hervormingsgezinde dissidenten bestrijden; dit volgens de eed die de Franse koningen bij hun inhuldiging in de kathedraal van Reims plachten te zweren, dat zij de Rooms-Katholieke Kerk trouw zouden blijven en de ketterij uitroeien. Ook na Frans I zouden de meeste van zijn opvolgers dit voorbeeld volgen, te beginnen zijn zoon Henri II (1518-1559) die nog repressiever was dan zijn vader. Zijn beruchte chambre ardente zond enkele honderden slachtoffers naar de brandstapel.
De dissidenten begonnen groepjes te vormen die samenkomsten hielden voor gebed en bijbelstudie. Later richtten zij plaatselijke gereformeerde kerken op volgens de door Calvijn ontworpen kerkorde, met hulp van predikanten uit Genève. Het calvinisme groeide tegen de onderdrukking in. Deze hugenoten wensten uiteindelijk de repressie niet langer gelaten te verduren. Zij verenigden zich om te trachten met het koninklijke gezag tot een compromis te komen dat het hun mogelijk zou maken als aparte gereformeerde kerk naast de officiële kerk te leven. Op het hoogtepunt van de repressie, in april 1559, werd in het hartje van een ultrakatholiek Parijs in het diepste geheim de eerste nationale synode gehouden. Zij ontwierp een geloofsbelijdenis die later in La Rochelle zou worden vastgesteld; deze diende Guido de Brès als model bij het redigeren van de de Nederlandse geloofsbelijdenis (1561).
Zelfs trotseerde de Parijse synode Calvijn, die er de voorkeur aan had gegeven dat de Franse gereformeerden de vervolging zouden dulden en ondergronds zouden blijven zolang hun godsdienst nog geen staatsgodsdienst was. De synode ging niettemin haar eigen gang en schetste, onder de druk van de repressie, maar haar tijd ver vooruit, het perspectief van godsdienstige pluraliteit binnen één staatsverband. Toen de hugenoten hun lijdzaamheid achter zich hadden gelaten, ging het koninkrijk een lange periode van gewelddadige confrontaties tegemoet.
Pas regentes Catherine de Medici (1519-1589) zag in dat repressie zinloos was en probeerde katholieken en protestanten tot een vergelijk te brengen. Tijdens het godsdienstgesprek van Poissy (1561) werd vergeefs een formule gezocht over de eucharistie die het beide kampen mogelijk moest maken verenigd te blijven. Na het mislukken van dat gesprek bereikte Catherine met Gaspard de Coligny, leider van de hugenoten, een compromis (het edict van januari 1562) dat de calvinisten voor het eerst erkenning en een zekere mate van godsdienstvrijheid gaf. De verhoudingen waren echter al te zeer verstoord. De hugenoten lieten een beeldenstorm door het koninkrijk razen en veroverden in tal van steden katholieke kerkgebouwen voor eigen gebruik. De katholieken, opgehitst door predikers die opriepen tot uitroeiing van de sekte der calvinisten, richtten hier en daar massaslachtingen aan. Katholieken en protestanten organiseerden hun legers en begonnen een serie van acht godsdienstoorlogen die tot in de jaren tachtig van de zestiende eeuw het land zou verscheuren. Catherine kon ten slotte niet verhinderen dat zij onder voogdij kwam van katholieken.
Tragisch dieptepunt was de massamoord tijdens de Bartholomeusnacht (1572). Nadat de dynastie der Valois was uitgestorven, veroverde de eerste Bourbon de troon, de calvinist Hendrik IV (1553-1610). Zich realiserend dat een niet-katholiek het koninkrijk niet langdurig en vreedzaam zou kunnen besturen, bekeerde hij zich tot het katholicisme. Hij schonk zijn land echter ook het edict van Nantes, dat de rust voor een tijd herstelde en het koninkrijk in korte tijd grote welvaart bracht.
Onder zijn opvolgers verloor het edict langzaam maar zeker alle betekenis. Onder Lodewijk XIII (1601-1643) trad kardinaal de Richelieu aan als eerste minister; hij ontnam de hugenoten met geweld hun militaire macht. Hij gunde de calvinisten nog hun geloof maar in de tweede helft van de eeuw zou Lodewijk XIV (1638-1715) hun ook dat trachten af te nemen. Deze vorst bracht de ontwikkeling naar de absolute monarchie tot haar voltooiing en duldde geen enkele religieuze dissidentie meer. Hij liet de kerkgebouwen van de gereformeerden afbreken en beroofde hen systematisch van hun rechten en vrijheden. Ten slotte liet hij dragonders bij hen inkwartieren. De actie van deze ‘gelaarsde missionarissen’ dwong de massa der calvinisten er ten slotte toe hun geloof af te zweren, ook al zou een grote meerderheid van hen nog doorgaan het in het verborgene te belijden. Lodewijk XIV stelde echter vast dat er geen protestanten meer waren en herriep in 1685 het edict van Nantes.
In grote delen van Frankrijk (vooral in het zuiden) bleven hugenoten elkaar ontmoeten om diensten te houden. Omdat de dominees (pasteurs) waren gevlucht, omgebracht of overgegaan naar het katholicisme, werden deze vanaf opvouwbare preekstoelen geleid door prédicants, gelovigen met de gave van het woord. De onderdrukte protestanten vereenzelfdigden zich met Israël in de woestijn. De ordetroepen van de koning maakten jacht op hen. Zeer velen ontkwamen naar het buitenland (zie Refuge). In het gebergte van de Cévennen ontvlamde in 1702 een felle opstand – de oorlog van de camisards – die acht jaar zou duren. Deze zou uiteindelijk bloedig worden neergeslagen, maar de autoriteiten, beducht voor nieuwe rebellie, lieten voortaan toch de samenkomsten in de désert oogluikend toe. Daardoor kon de protestantse geloofspraktijk in Frankrijk de achttiende eeuw overleven. De uit de Vivarais afkomstige predikant Antoine Court nam de leiding van de wederopbouw van de Franse calvinistische kerk. Deze kon zegevierend uit de clandestiniteit tevoorschijn komen toen de koning in 1787 zijn verzet opgaf en Lodewijk XVI (1728-1792) het édit de tolérance tekende. Twee jaar later brak de Revolutie uit.
De Assemblée nationale, onder voorzitterschap van de calvinist Paul Rabaut-St-Etienne, stelde de Verklaring van de Rechten van de Mens vast die gewetensvrijheid garandeerde. Drie jaar later werd deze tekst nog vervolmaakt en kregen burgers het recht ‘de godsdienst uit te oefenen waaraan zij waren gehecht’.
Auteur
Pierre Louis van Enk [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H.A. Speelman, Calvijn en de zelfstandigheid van de kerk (Kampen 1994)
Jean Delumeau en Thierry Wanegffelen, Naissance et affirmation de la Réforme (Parijs 1998)
Arlette Jouanna e.a., Histoire et dictionnaire des guerres de religion (Parijs 1998)
Philippe Wolff (red.), Histoire des protestants en France, De la Réforme à la Révolution (Toulouse 2001)