Middeleeuwse boetedoeners die zich geselden, ook genoemd geselaars (flagellum is het Latijn voor gesel).
In de late Middeleeuwen ontstond tegen de achtergrond van hoge eindtijdverwachting, sociale misstanden, angst voor pestepidemieën en natuurrampen een bijzondere vorm van boetedoening: de collectieve zelfgeseling. Om Gods gunst af te smeken trokken flagellanten biddend, zingend en zichzelf geselend in grote groepen het land door. In Italië begonnen, groeide de flagellantenbeweging meerdere keren uit tot een Europees massaverschijnsel (1260/61, 1348/49, 1399). In Thüringen en de Nederlanden ontwikkelden zich daaruit geselbroederschappen met profetie over het naderend eindgericht, excessen van jodenhaat en afwijzing van het kerkinstituut. Hoewel ze door kerk en staat verboden was, bleef de beweging bestaan tot in de zestiende eeuw.
Auteur
F. van der Pol [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
M. Erbstösser, Sozialreligiöse Strömungen im späten Mittelalter: Geissler, Freigeister und Waldenser im 14.Jahrhundert (Berlin 1970)
G. Campforts, De flagellantenbeweging in de Zuidelijke Nederlanden (Leuven 1984)