Aanvankelijke betekenis: de christelijke activiteit om mensen die van het evangelie vervreemd waren, terug te brengen tot geloof en kerk.
Rond 1800 reageerde de kerk met evangelisatie op de beginnende kerkverlating van haar leden vanwege het opkomende modernisme. Ongeveer vanaf 1950 werd de situatie geheel gewijzigd vanwege de secularisatie, massale kerkverlating en de komst van nietchristelijke religies. De doelgroep voor evangelisatie werd uitgebreid tot hen die nog nooit van het evangelie gehoord hadden. Evangelie is dan zending geworden, dichtbij en in een (post)moderne context.
Bij de opkomst van de evangelisatie wist de kerk zich wel geroepen tot dit werk, maar paste zij zich organisatorisch nauwelijks aan en was traag in het zelfstandig ontwikkelen van de bijbelse benadering. De buitenkerkelijke werd opgeroepen tot bekering en aansluiting bij de bestaande kerk met haar vaststaande leer en praktijk. Naast en soms ook tegenover de kerk ontstonden particuliere organisaties die zich specifiek richtten op het evangelisatiewerk. Deze evangelisch en piëtistisch geïnspireerde, niet-confessioneel gebonden parakerkelijke bewegingen profileerden zich na enige tijd met hun pasbekeerden als nieuwe kerken (zie methodisten).
Pas in de latere periode ontstond overleg tussen de kerken en de evangelisatiebewegingen om elkaar te ondersteunen. Dat resulteerde in de meer beperkte doelstelling van bekering, met vrije keus voor kerkelijke en confessionele criteria. Methodisch richtte de evangelisatie zich aanvankelijk op de weerlegging van de rationele kritiek op het christelijke geloof. Zij ontwikkelde de apologetiek, verspreidde lectuur, hield voordrachten en gebruikte de media. In de evangelisatie werd het moderne denken weerlegd, zoals het darwinisme en later het existentialisme (C. van Til en F. Schaeffer). Anderen namen de emotionele dimensie in de bekering als uitgangspunt en ontwikkelden een bekeringsweg via schuldbesef, berouw en boetedoening, met gebruik van indringende toespraken en eigentijdse muziek. Naast deze directe methoden werd het geloof ook daadwerkelijk gedemonstreerd in concrete hulpverlening aan misdeelde of andere specifieke groepen. Ook met de stichting van christelijke ziekenhuizen en opvang voor wezen (diaconie) hoopte de kerk mensen te overtuigen van de liefde van Christus.
Na 1950 kwam de kerk terecht in de marge van de samenleving. Deze ontluistering van de kerkelijke positie gaf aan de evangelisatie een nieuwe impuls. Nu moest de kerk, net als in de zending, de ongelovige gaan opzoeken in zijn omgeving, met zijn taal, zijn cultuur, en in aansluiting bij zijn belevingswereld. De evangelisatie leerde de kerk radicaal missionair te zijn. De kerk moest zich ‘binnenstebuiten’ keren en zich bekeren tot kerk voor de wereld. Evangelisatie was niet langer een zaak van evangelisten, maar een roeping voor iedere gelovige. Zij moesten zich christenen betonen in woord en daad en zo hun naaste trachten winnen voor Christus.
Op de drempel van de eenentwintigste eeuw verloopt de evangelisatie steeds meer synchroon met de zending en gebruikt men de ervaring die in de zending is opgedaan. De missionaire kerk zoekt aansluiting bij de context van buitenkerkelijke mens. Het betekent allereerst de bereidheid om pasbekeerden een thuis te bieden in de bestaande kerk, met mogelijkheid tot doorgroeien en verdieping. Het betekent ook het stichten van totaal nieuwe gemeenten die kritisch inspelen op de (post)moderne cultuur en zich contextueel relevant profileren. Zo wordt evangelisatie geïntegreerd in het kerkelijke leven, overeenkomstig het missionaire karakter van de christelijke gemeente.
Auteur
C.J. Haak [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J. Verkuyl, Inleiding in de evangelistiek (Kampen 1978)
A. Noordegraaf, Vijf broden en twee vissen (Zoetermeer 1998)
C.J. Haak, Kerk in de 21e eeuw (Kampen 2001 3e druk)
A.J. Krol, Gemeentegroei compleet (Hoornaar 2001)
W. Dekker, Om de verstaanbaarheid (Zoetermeer 2002)
S. Paas, De werkers van het laatste uur (Zoetermeer 2003)