Theoloog, bijbels humanist en literator (Rotterdam 27/8.10.1466/7/9 - Basel 12.7.1536)
Erasmus groeide op in Gouda en verkreeg zijn scholing in Deventer, aan de kapittelschool van de Sint Lebuinus. Hij trad in 1487 in in het augustijnerklooster te Stein bij Gouda, dat hij in 1493 verliet om secretaris van de bisschop van Kamerijk te worden. Hij ontving in 1492 de priesterwijding en studeerde van 1495 tot 1499 theologie in Parijs. Hij leefde vervolgens als privé-onderwijzer en zelfstandig publicist en woonde afwisselend in Engeland, Frankrijk, Italië, waar hij in 1506 een doctoraat in de theologie in Turijn verwierf, Duitsland, Leuven, Bazel, waar sinds 1515 al zijn belangrijke geschriften bij Froben verschenen, en Freiburg.
Als bijbels humanist wilde Erasmus terug naar de bronnen. Hij streefde naar een verbinding van de studie van de schone letteren uit de Klassieke Oudheid met de gewijde letteren. Zijn filologische en exegetische benadering van de bijbel en de geschriften uit het vroege christendom stond tegenover de scholastieke theologie. In Novum Instrumentum (1516) publiceerde Erasmus de Griekse tekst en een nieuwe Latijnse vertaling van het Nieuwe Testament, voorzien van uitvoerige inleidingen en aantekeningen. Hoewel voor Erasmus het belang lag in het bieden van een alternatieve vertaling als studiehulpmiddel naast de Vulgaat, werd juist zijn editie van de Griekse tekst eeuwenlang maatgevend. Ook publiceerde hij in de vorm van Paraphrasen (1517-1524) een uitleg van het Nieuwe Testament. Van Hieronymus en vele andere kerkvaders gaf hij de werken uit.
Erasmus streefde een eerlijke vernieuwing van het christendom na. Zijn ‘christelijke filosofie’ richtte zich op praktische vroomheid: de concrete navolging van Jezus Christus. Erasmus was een man van het woord; voor abstracte redeneringen en natuurwetenschappelijk onderzoek had hij weinig achting. Wel vielen voor hem het redelijke en het zedelijke in hoge mate samen. Het ideaal van de ware christen is om van de zichtbare, vergankelijke wereld op te stijgen naar de onzichtbare, geestelijke wereld van God. De vrijheid, waardigheid en verantwoordelijkheid van de christen en de vrede tussen de mensen staan centraal. Deze idealen komen tot uiting in het Enchiridion militis christiani (Handboekje of handzwaard van de christensoldaat) dat in 1503 tamelijk onopgemerkt verscheen, maar vanaf 1518 furore maakte in zowel katholieke kring als de opkomende hervormingsbeweging.
Hoewel Erasmus’ vroomheid sterk individualistische trekken vertoonde, hechtte hij aan de eendracht van de christenheid. Omdat de evangelische vrijheid contrasteert met de slavernij van de uitwendige geboden, relativeerde hij de uitwendige genademiddelen van de kerk, maar wees ze niet af. Vanaf 1518 bekend met het optreden van Luther, deelde hij veel opvattingen van de hervormers, maar veroordeelde hij het wederzijdse aansturen op een breuk. Lang probeerde hij te voorkomen dat hij tussen de partijen verstrikt zou raken, maar in september 1524 publiceerde hij De libero arbitrio (De vrije wil), waarmee hij centrale strijdvragen over de kerk, de sacramenten en de positie van de paus ontweek en tegenover Luther de menselijke verantwoordelijkheid verdedigde. Luther deed naar zijn besef tekort aan de plaats die God in zijn genade aan de mens gegeven heeft. Op Erasmus’ exegetische betoog antwoordde Luther in december 1525 met De servo arbitrio (De slafelijke wil), waarin hij als dogmatisch denkend theoloog stelde dat mens volledig bepaald wordt door de zonde en alle zekerheid plaatste in Gods genade en trouw. Daarop repliceerde Erasmus nog eens met Hyperaspites (Schilddrager, 1526/7).
Een breed publiek bereikte Erasmus met letterkundig-didactische werken als de Adagia (1500), een verzameling Latijnse spreekwoorden en zegswijzen, en de Colloquia (Gesprekken), ontstaan uit zijn lespraktijk in Parijs rond 1500, maar pas in 1518 verschenen. Zoals vele van Erasmus’ geschriften werden deze boeken bij opeenvolgende drukken sterk uitgebreid. Nog sterker dan in deze werken kwam Erasmus’ maatschappijkritische houding tot uiting in het satirische Morias Enkomium of Laus Stultitiae (Lof der Dwaasheid, 1511). De Dwaasheid prijst zichzelf aan en laat zien hoe de hele wereld aan haar macht onderworpen is. Alle groepen en standen worden gehekeld, waarbij vooral de onnutte vroomheid van het monnikendom het moet ontgelden. Ook in Erasmus’ meer speelse geschriften ging het uiteindelijk om de zuiverheid van het christelijk leven.
Auteur
Jan Dirk Snel [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Cornelis Augustijn, Erasmus (Baarn 1986)
A.G. Dickens, Whitney R.D. Jones, Erasmus the Reformer (Londen 1994)
Zie ook
Erasmus Desiderius (2008)