Het streven om de hoogste autoriteit binnen een kerkgenootschap toe te kennen aan de in een vergadering of synode verzamelde bisschoppen (van het Griekse episkopoi).
Bij enkele kerkgenootschappen, bijvoorbeeld bij de Anglicaanse kerk, bij de Oud-katholieke kerk en bij de Lutherse kerk in Zweden dekt dit streven de werkelijkheid. Gemeenschappelijke noemer van al deze kerken is dat ze een zogenaamde episcopale kerkorde kennen, waarin grote waarde wordt gehecht aan de apostolische successie. Daarmee onderscheiden ze zich van kerken die zijn georganiseerd langs presbyteriaanssynodale lijnen.
Ook de Rooms-Katholieke Kerk kent een episcopale kerkorde. Deze is echter ingebed in een hiërarchische structuur waarbinnen de bisschop van Rome, of paus, geldt als de primaat van zijn collega’s. Bovendien is de paus binnen zijn kerk bekleed met het leergezag. In een tweede, meer specifieke betekenis van het begrip episcopalisme worden onder deze verzamelnaam de stromingen gevat die zich kanten tegen het absolute karakter van dit pauselijke gezag. Daaronder vallen onder meer het conciliarisme en het gallicanisme, maar ook de bewegingen die ijveren voor een meer op collegialiteit gestoelde kerkordening zoals die uit de besluiten van het Tweede Vaticaans Concilie leek voort vloeien. Aan dit verlangen zijn Paulus VI en vooral Johannes Paulus II slechts ten dele tegemoet gekomen.
Auteur
Hans Cools [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
R. Bäumer (red.), Die Entwicklung des Konziliarismus: Werden und Nachwirken der konziliaren Idee (Darmstadt 1976)
C. Bernstein en M. Politi, Zijne Heiligheid. Johannes Paulus II en de verborgen geschiedenis van onze tijd (Amsterdam/Leuven 1996)
Y.M.J. Congar, La collégialité episcopale: histoire et théologie (Parijs 1965)