Bewegingen in de christelijke kerk die geloofden in de eindtijd te leven, vaak op basis van ‘bijbelse’ berekeningen van het jaar van de wederkomst van Christus, en mensen opriepen tot bekering en tot voorbereiding op die aanstaande wederkomst.
De geschiedenis van de christelijke kerk heeft bijna vanaf het begin eindtijdbewegingen te zien gegeven. Zo zagen de tweede-eeuwse, extatische montanisten de wederkomst al als zeer nabij; onder anderen de kerkvader Tertullianus werd sterk door hen beïnvloed. Deze verwachting hing samen met het feit dat, voorzover bekend, verreweg de meeste kerkvaders van de eerste drie eeuwen er een prechiliastisch standpunt op nahielden (zie chiliasme), en dus uitzagen naar de spoedige wederkomst van Christus vóór het duizendjarige rijk.
De constantinische wending (begin vierde eeuw), die het christendom binnen het Romeinse rijk vrijheid gaf en
het later tot staatsgodsdienst maakte, leidde mede tot de augustiniaanse vergeestelijkingstheologie (‘de Kerk is het geestelijk Israël’), die impliceerde dat het duizendjarig rijk al begonnen was en eindtijdverwachtingen voorlopig de kop in drukte. Dit veranderde tegen het jaar 500. Sommige vroegchristelijke denkers, zoals Irenæus, Hippolytus, Lactantius en Julius Africanus, geloofden op grond van genealogische getallen in de Septuagint dat Christus was geboren omstreeks het jaar 5500 na de schepping. Op basis van een analogie met de zes scheppingsdagen (= zes ‘dagen’ van duizend jaar) én met de gelijkenis van de werkers van het elfde uur (Matt. 20:1-16) verwachtten velen, onder wie Origenes, daarom de wederkomst rond 500 n.Chr..
Tegen het jaar 1000 ontstond een nieuwe eindtijdbeweging, nu gebaseerd op de leer van het duizendjarig rijk, dat met de eerste komst van Jezus begonnen zou zijn. Nu de duizend jaren bijna ten einde waren, verwachtten velen spoedig zijn tweede komst, wat tot grote onrust onder duizenden christenen leidde.
De monnik Joachim van Fiore (ca. 1135-1202) bracht een nieuwe eindtijdbeweging teweeg. Hijzelf en zijn aanhangers, de joachimisten, onderscheidden drie perioden in de heilsgeschiedenis, elk van 42 generaties (Matt. 1:17) à 30 jaar, elk 1260 jaar omvattend. Men meende dat de tweede periode met de eerste komst van Jezus was begonnen en dat deze dus rond het jaar 1260 zou eindigen. De Duitse keizer Frederik II (1212- 1250) beschouwde men dan ook als de antichrist. Toen na zijn dood het vrederijk niet aanbrak, ontstond een beweging die de vrede gewelddadig wilde afdwingen en in 1307 hardhandig werd uitgeroeid.
In de tijd van de Reformatie vormde de extremere vleugel van de wederdopers een eindtijdbeweging, met
name door de prediking van Melchior Hoffmann, die voorspelde dat spoedig Jezus’ 144.000 boden de wereld zouden ingaan om haar te bekeren, en dan zou het hemelse Jeruzalem aanbreken. Zijn ideeën werden vanaf 1533 in praktijk gebracht door de Haarlemse bakker Jan Matthijsz., die beweerde dat Münster was uitverkoren als het nieuwe Jeruzalem. Hij richtte er met honderden medestanders het ‘koninkrijk Zion’ op, maar sneuvelde spoedig, waarop zijn secondant Jan van Leiden zich tot ‘koning’ uitriep. De Münsterse ‘theocratie’ werd al in 1535 kop ingedrukt.
Steeds weer hebben de getallen 1260 (drieëneenhalf maal 360, of ‘een tijd, tijden en halve tijd’), 1290, 1335 en 2300 (Dan. 7:25; 8:14; 12:7,11v.; Openb. 11:3; 12:6,14) tot de verbeelding gesproken. Zo ontstond tijdens de vervolging der hugenoten onder hen ook een eindtijdbeweging, vooral door toedoen van de naar Rotterdam uitgeweken predikant Pierre Jurieu (1637-1713). Deze onderscheidde een ‘zuivere’ kerkperiode van 360 jaar, gevolgd door een tijd van verval van 1260 jaar. Hij liet die in totaal 1620 jaar beginnen bij het jaar 90 (het vermeende jaar waarin Johannes zijn Openbaring schreef ) en voorzegde voor 1710 de val van de Rooms-Katholieke Kerk (het rijk van de antichrist) en het begin van het herstel van de ware (reformatorische) kerk. Na 90 + 360 + 1335 jaren, dus in 1785, zou dan het duizendjarig rijk beginnen, waarin de gezuiverde kerk, verenigd met het bekeerde Israël, het gezegend middelpunt van de aarde zou vormen.
In de onzekere postnapoleontische tijd ontstonden diverse eindtijdbewegingen, die alle de spoedige wederkomst van Christus en zijn rijk verwachtten. Sommige bewogen zich meer langs de lijnen van het traditionele christendom, zoals de apostolischen (Edward Irving, 1792-1834) en de Plymouthbroeders (John N. Darby, 1800-1882). De eersten zagen als teken van de eindtijd juist een herstel van de begintijd, met name van de apostolische ambten en wondergaven. De Plymouthbroeders daarentegen meenden dat het verval zo groot was dat deze zegeningen voorbij waren.
Andere negentiende-eeuwse eindtijdbewegingen bewogen zich eerder buiten de traditionele lijnen; in mindere mate het adventisme, later de zevendagsadventisten; in meerdere mate de Jehova’s getuigen en de mormonen. Typerend waren opnieuw de ‘bijbelse’ berekeningen: de adventisten berekenden het jaar van de wederkomst op 1843/44. De Jehova’s leerden dat in 1874 de ‘oogstdag’, en in 1914 het duizendjarig rijk zou beginnen, of dat in 1825 de ‘wederherstelling van alle dingen’ zou aanvangen. Andere eindtijdbewegingen gingen niet zo ver, maar verkondigden ook de zeer nabije komst van Christus en de noodzaak van geestelijke voorbereiding daarop.
In zekere zin kan de rond 1900 ontstane pinksterbeweging ook als een eindtijdbeweging beschouwd worden. Net als bij de apostolischen werd een herstel van de zegeningen uit de begintijd, met name het herstel van de wondergaven (tongentaal, profetie, gebedsgenezing), gezien als teken van de eindtijd en dus als aanwijzing voor de nabije wederkomst van Christus. Net als de Jehova’s getuigen en de mormonen hebben de pinkster- en later de charismatische beweging als eindtijdbewegingen een zeer grote omvang verworven. Daarbij komt dat een groot deel van de hedendaagse evangelische beweging weliswaar niet noodzakelijk het dispensationalisme (zie duizendjarig rijk), maar wel het prechiliasme van John N. Darby heeft overgenomen, en dit impliceert haast altijd een sterke eindtijdverwachting. Ook bepaalde ‘evangelische’ stromingen binnen de gevestigde protestantse kerken hebben het prechiliasme overgenomen, in Nederland bijvoorbeeld de maranathabeweging van Johannes de Heer.
De holocaust en de oprichting van de staat Israël (1948) gaven veel christenen nieuw begrip voor de letterlijke exegese van de profetieën, en daarmee ook een bewustzijn van de eindtijd en van de spoedige wederkomst van Christus.
Tegen het einde van de twintigste eeuw kwam een aloude idee weer op: die van een heilsgeschiedenis verdeeld in drie perioden van 2000 jaar, waarbij de 6000 jaar ook weer in analogie met de scheppingsdagen gezien worden. Deze voorstelling gaat terug op een zowel talmoedische als vroegchristelijke traditie. Waar velen de eerste twee perioden (4000 jaar) ongeveer lieten eindigen bij de eerste komst van Jezus, bleven er 2000 jaar over tot de wederkomst. Ook meende Philippus Melanchton al dat volgens Daniël 12:11v. een totaal van 1290 + 1335 = 2625 jaren zouden verlopen van Daniëls tijd tot de messiaanse tijd, wat ongeveer bij het jaar 2000 uitkomt. Net als tegen het jaar 1000 verkondigden velen, met name enkele extreme sekten, de wederkomst van Christus rond het jaar 2000.
Auteur
W.J. Ouweneel [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]