Dood hoort, naast geboorte en huwelijk, tot de belangrijkste levenslooprituelen. De dood is dan ook omgeven met een breed scala aan gewoonten en gebruiken.
Allereerst zijn er de gebruiken rondom de stervende. Wanneer iemand op sterven lag, was het lange tijd gewoonte dat de buren bij hem kwamen waken. Wanneer de stervende katholiek was, dan werd de priester geroepen om het heilig oliesel toe te dienen (bediening). De praktische zaken rondom de dood werden geregeld door de naaste buren. Het betreft hier de zogenaamde burenplichten, vastgelegd in gemeentelijke keuren. De buren waren verantwoordelijk voor het wassen en kleden van het lijk en het bekendmaken van het sterfgeval. Na het overlijden werd de dood aangezegd in de buurt, meestal door een of twee van de naaste buren (het zogenaamde aanzeggen). De buren waren ook verantwoordelijk voor het vervoer naar kerk en kerkhof of begraafplaats. In de kerk werd een mis of dienst gehouden, waarna de begrafenis volgde.
Daarnaast zijn er tal van gewoonten in het kader van rouw. De nabestaanden hulden zich na het overlijden van hun naaste in een uitgebreide rouwdracht. In het huis werden diverse zaken aangepast: de spiegel werd bedekt, de klok werd stilgezet en de luiken of gordijnen werden gesloten. In de negentiende eeuw werd het gebruikelijk dat er in huis objecten werden opgehangen ter herinnering aan de overledene, zoals haarwerkjes of portretten van de overledene. Ook kwam het kerkhofbezoek toen in zwang, om de graven van de overleden geliefden te bezoeken. Katholieken kennen het gebruik van het bidprentje, oorspronkelijk bedoeld als oproep om te bidden voor het zielenheil van de overledene. Later werd het een prentje met een tekst ter herinnering aan de overledene. Met Allerzielen, op 2 november, worden in de katholieke kerk de overledenen van het afgelopen jaar herdacht.
In de afgelopen tweehonderd jaar deed zich een proces van professionalisering voor. Taken die vroeger werden gedaan door de buren en de directe omgeving, liggen tegenwoordig in handen van artsen, verplegers en professionele uitvaartverzorgers. Een onbedoeld gevolg van deze ontwikkeling was, dat de dood uit het dagelijkse leven werd verbannen. De dood werd gemaakt tot iets waar wij maar liever niet mee geconfronteerd wilden worden.
Vanaf de jaren tachtig van de twintigste eeuw begint hier weer langzaam verandering in te komen. Het besef groeit dat rituelen rondom de dood zinvol zijn voor een betere verwerking van het rouwverdriet. In allerlei moderne rituelen wordt dan ook nadrukkelijk ruimte gemaakt voor een inbreng van de direct nabestaanden. Zij dragen bijvoorbeeld de kist of spreken een woordje bij het graf. Een persoonlijke uitvaart is de nieuwe trend: de nabestaanden verzinnen zelf een ritueel dat het best bij de overledene past. Heel veel christelijke rituelen hebben inmiddels sterk aan betekenis ingeboet, vanwege het proces van ontkerkelijking. Tegelijk is Nederland een multi-etnische samenleving geworden, met een breed scala aan ‘nieuwe’ religies, met ieder hun eigen rituelen rond de dood.
Auteur
Albert van der Zeijden [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Albert van der Zeijden, ‘Volkskundig materiaal als bron voor historici’, in: Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 18 (1992) 66-82
Anja Krabben, De dood is springlevend: beleving en praktijk van de dood in Nederland (’Den Haag 1997)