Vrouwen die in de christelijke gemeente de zorg voor zieken, armen en behoeftigen op zich nemen.
De kerk heeft diaconessen gekend vanaf de tijd van de apostelen, aanvankelijk sterk verbonden aan de staat van weduwe. De reformator Calvijn stond vrouwelijke diakenen in zijn gemeente toe, maar de synode van Middelburg (1581) is hem daarin niet gevolgd. In de negentiende eeuw ontstonden initiatieven voor diaconessenhuizen. Deze diaconessen bekleedden in de regel geen kerkelijk ambt; hoofdtaak was de verpleging en verzorging van zieken. De oprichting van een diaconessenhuis in Kaiserswerth, door de
Duitse predikant Theodor Fliedner (1800-1864), vond in tal van landen navolging. In 1844 verrees in Utrecht het eerste Nederlandse diaconessenhuis, in 1865 volgde Bronovo in Den Haag, de jaren erna in andere steden. Na 1960 nam de betekenis van de diaconessenhuizen af. Vanaf 1980 gingen de huizen op in grote ziekenhuizen met een algemeen karakter.
Auteur
J.K. Karels [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
John Malcolm Forbes Ludlow, Woman’s work in the church: historical notes on deaconesses and
sisterhoods (Washington 1978)
Henk de Jong, ‘De juffrouw’ en haar huis. Honderdvijfentwintig jaar inrichting van diakonessen te
Utrecht (z.p. 1969)