Van het Latijnse colere, vieren; cultus is viering.
De middeleeuwse kerkleraar Thomas van Aquino omschrijft cultus als exhibere Deo debitum honorem, ‘God de verschuldigde eer brengen’, kortom: eredienst. Dit eerbetoon aan God is veelvormig: aanroep en smeking, dankzegging en aanbidding, in woord en gebaar. De woorden worden gesproken, gedeclameerd of gezongen. De gebaren omvatten lichaamstaal zoals knielen, zitten en staan, processie en dans; handen vouwen of opheffen; een kruisteken maken; handelingen met water, zalfolie, brood en wijn. De gebaren kunnen onderstreept worden door kleur en licht, zoals in de kleding van voorgangers en aankleding van de ruimte. Zo richt het schepsel zich tot de schepper, opdat deze zijn maaksel zal heiligen, verzoenen en heel maken. Een christelijke gemeenschap richt zich als lichaam van Christus tot haar hoofd in de hemel, opdat Hij haar zal inspireren en voeden. Zo versterkt de cultus het geloof van de deelnemers.
Auteur
G.M. Landman [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]