- CONSTANTIJN DE GROTE (versie 2009)
Eerste christelijke Romeinse keizer (Naïssus ca. 284 - Nicomedia 337)
Als imperator, Romeins keizer, was hij in het jaar 325 de inspirator van de christelijke geloofsbelijdenis die tot op de dag van vandaag wordt gereciteerd en gezongen. De belijdenis werd vastgesteld op een concilie in Nicea, in het huidige Turkije, waar ook de datum van het paasfeest werd vastgelegd. Maar voor de rest was Constantijn de Grote, de eerste Romeinse christenkeizer, net zo machtsbelust en wreed als zijn voorgangers. De eenheid van de christelijke kerk moest de suprematie van zijn bewind dienen. Nog geen jaar na de gedenkwaardige kerkvergadering in Nicea liet Constantijn zijn oudste zoon en vrouw ombrengen, omdat hij vermoedde dat ze hem van zijn troon wilden stoten.
Constantijn werd omstreeks 285 geboren in Naïssus, het huidige Nisj in Servië. Zijn vader was een hoge officier die vijf jaar na Constantijns geboorte tot ‘onderkeizer’ van het West-Romeinse rijk werd benoemd en naar Engeland werd gestuurd. Na het terugtreden van ‘opperkeizer’ (augustus senior) Diocletianus in 305 nam Constantijns vader diens scepter over, maar niet voor lang. Hij overleed een jaar later. Hij werd opgevolgd door Galerius die vervolgens Constantijn als onderkeizer aanstelde, over Engeland, Spanje, Frankrijk en Duitsland. De jongeman, net twintig en zetelend in Trier, won snel aan macht. Hij reeg de ene militaire overwinning aan de andere, maar hield zich voorlopig verre van het politieke steekspel in Rome.
Dit veranderde in 311, na de dood van Galerius. De tetrarchie, het broze bestuursbestel van vier keizers, viel uiteen. Constantijn smeedde een verbond met Licinius, rukte op naar Italië en versloeg zijn opponenten in 312 bij de Milviusbrug over de Tiber. De legende wil dat hij aan de vooravond van de slag een kruis aan de hemel zag staan en God hoorde zeggen: ‘In hoc signo vinces’ – in dit teken zal je overwinnen. Constantijn, die al langer naar monotheïsme neigde en sinds zijn jeugd bekend was met het geloof in Jezus Christus, bekeerde zich hierop tot het christendom.
Een jaar later, in 313, proclameerde Constantijn de vrijheid van godsdienst en maakte een einde aan de christenvervolgingen. Ook verklaarde hij de dag na de joodse sabbat, de zondag, tot feestdag waarop niet werd gewerkt. In 320 distantieerde medekeizer Licinius, die over het Oost-Romeinse rijk regeerde, zich van dit alles en begon de christenen opnieuw te vervolgen. Een burgeroorlog was het gevolg die in 324 werd beslecht met de executie van Licinius. Constantijn was voortaan alleenheerser en stelde zich een jaar later, op het concilie van Nicea, ook nadrukkelijk aan het hoofd van de christelijke kerk. Symbool van zijn wereldlijke macht, zowel over het latijnse Westen als het hellenistische Oosten, werd de oude Griekse kolonie Byzantion, aan de Bosporus. Constantijn herdoopte het stadje tot Nova Roma, dat als Constantinopel zou uitgroeien tot de machtigste en rijkste stad van de oikoumenè, de bewoonde wereld. In 330 werd Constantinopel de nieuwe hoofdstad van het Romeinse rijk.
In 337, vlak voordat hij tegen de Perzen ten strijde wilde trekken, werd Constantijn ziek. Hij overleed op pinksteren, kort nadat hij door bisschop Eusebius van Nicodemia, waar Constantijns legers te velde lagen, was gedoopt. De ironie wil dat Eusebius aanhanger was van het arianisme dat op het concilie van Nicea was veroordeeld.
Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
17 juli 2009
Verder lezen
J.N. Bakhuizen van den Brink, Constantijn de Grote (Amsterdam 1975)
- CONSTANTIJN DE GROTE (versie 2005)
Romeins keizer (Naïssus ca. 284 - Nicomedia 337)
Constantijn werd na de dood van zijn vader Constantinus Chlorus in 312 in York door het leger constantijn tot medekeizer uitgeroepen. In 312 versloeg hij zijn rivaal Maxentius. Volgens de overlevering zag hij op de dag voor de veldslag in een visioen het kruis met de woorden: ‘In dit teken zul je overwinnen.’
Na de slag ging Constantijn over tot het christendom, hoewel hij zich pas vlak voor zijn dood liet dopen. Het gevolg van de overgang was dat het christendom nu een door de staat erkende godsdienst werd. Een ander gevolg was dat hij zich met de interne zaken van de kerk ging bemoeien. Volgens Constantijn was de eenheid van de kerk een voorwaarde voor de eenheid van het rijk. Zo riep hij tijdens de ariaanse twisten (zie arianisme) het concilie van Nicea bijeen. Hij zat, hoewel ongedoopt, zelf de vergaderingen voor. Hij maakte de zondag tot een dag waarop niet gewerkt mocht worden.
Auteur
K. Runia [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Bakhuizen van den Brink, Constantijn de Grote (Amsterdam 1975)