Van het werkwoord ‘consacreren’ dat ‘heiligen’, ‘(toe)wijden’ betekent.
In algemene zin wordt het gebruikt voor het toewijden van voorwerpen of personen aan God door middel van een liturgisch ritueel dat wordt verricht door een bisschop of priester. Wanneer een voorwerp wordt geconsacreerd, wordt het onttrokken aan alledaags gebruik en is het alleen bestemd voor de eredienst. In het Nederlands wordt het woord ‘consecratie’ vooral in een meer toegespitste betekenis gebruikt als aanduiding van het gedeelte van het eucharistisch gebed dat de instellingswoorden bevat die volgens de rooms-katholieke leer de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus tot stand brengen. In de Middeleeuwen is in het westerse christendom de opvatting gegroeid dat de consecratie het absolute hoogtepunt is van het eucharistisch gebed en zelfs van heel de mis.
De reformatoren hebben de instellingswoorden gehandhaafd in de viering van het avondmaal, maar niet als consecratiewoorden. In het protestantse avondmaal vormen de instellingswoorden een uitnodiging tot de communie die er direct op volgt. Volgens de huidige gangbare rooms-katholieke opvatting vormen de instellingswoorden het hoogtepunt van het eucharistisch gebed, maar wordt de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed niet alleen tot stand gebracht door de instellingswoorden, maar door het eucharistisch gebed dat in zijn geheel hardop wordt gebeden.
Auteur
Gerard Rouwhorst [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J. Jungmann, Missarum sollemnia, II, Freiburg/(Basel/Wenen 1948)
H.B. Meyer, Eucharistie. Geschichte, Theologie, Pastoral (Regensburg 1989)