1. Gemeenschap van vrouwelijke (zusters) of mannelijke kloosterlingen (paters en/of broeders) in de Rooms-Katholieke Kerk, meestal ontstaan in de negentiende en twintigste eeuw en dus jonger dan de meeste kloosterorden. Vooral de zustercongregaties zijn zeer talrijk.
Hun oorsprong gaat meestal terug op lokale initiatieven. Doorgaans behoren zij tot de actieve kloostergemeenschappen, in tegenstelling tot de beschouwende. Voorbeelden zijn de redemptoristen (paters en broeders), fraters van Tilburg (broeders) en franciscanessen van Heythuysen (zusters).
De talrijke historische verschillen tussen de leden van orden en congregaties in het kerkelijk wetboek van 1917/18 zijn in het wetboek van 1983 beduidend afgezwakt. In Nederland loopt in de meeste congregaties het ledenaantal sterk terug.
2. Departement van de pauselijke curie, bijvoorbeeld de Congregatie voor de geloofsleer.
3. Federatie van beschouwende kloosters, zoals bij de benedictijnen.
Auteur
Gian Ackermans [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Peter Donald Day, A dictionary of religious orders (London 2001)
Leonard Holtz, Geschichte des christlichen Ordenslebens (Düsseldorf 2001)