Vergadering van alle bisschoppen tezamen met de paus, ‘en nooit zonder deze’.
In het wetboek van de Rooms-Katholieke Kerk (Codex Iuris Canonici, canon 336-341) wordt dit een ‘oecumenisch’ concilie genoemd; oecumenisch in de zin van: de hele – bekende – wereld omvattend. Het is de hoogste wetgevende instantie in deze kerk, maar een concilie staat dus niet bóven de paus, zoals aanhangers van het conciliarisme hebben beweerd. Alleen de paus kan een concilie bijeenroepen en de gespreksagenda ervan bepalen, het desgewenst verdagen en afsluiten. Alle bisschoppen ter wereld hebben de plicht eraan deel te nemen; deskundige niet-bisschoppen kunnen werden uitgenodigd maar hebben geen stemrecht. De door het concilie uitgevaardigde decreten zijn verplichtend nadat ze door de paus zijn ondertekend en plechtig afgekondigd.
Hetzelfde wetboek voorziet (canon 439-446) ook in de mogelijkheid van ‘plenaire’ of ‘provinciale’ concilies. Deze kunnen gehouden worden in deelgebieden van de Rooms-Katholieke Kerk of in een kerkprovincie. Daaraan nemen naast de bisschoppen ook de belangrijkste kerkelijke functionarissen van het betreffende territorium deel. De genomen besluiten treden niet eerder in werking dan nadat ze door de Heilige Stoel zijn goedgekeurd. In de Nederlandse kerkprovincie is het Pastoraal Concilie in de jaren zestig van historische betekenis geweest.
Er zijn bijna twintig oecumenische concilies gehouden. Aan het begin van de conciliegeschiedenis staat het zogenoemde Apostelconcilie van Jeruzalem (48 n. Chr.). Daar werd gediscussieerd of niet-joden ook zonder voorafgaande besnijdenis in de christengemeenten opgenomen konden worden. Als ‘missionaris onder de heidenen’ was Paulus voorstander daarvan, Petrus was ertegen; de visie van Paulus werd ten slotte aangenomen. In samenhang met de ontwikkeling van het bisschopsambt ontstond in de volgende eeuwen de noodzaak van bisschoppenvergaderingen ter bespreking van gemeenschappelijke problemen.
Nadat in 321 het christendom door keizer Constantijn officieel erkend was, werden al spoedig oecumenische concilies georganiseerd, aanvankelijk nog door de keizers zelf, daarna door de pausen. In 325 riep Constantijn zelf het eerste concilie bijeen in Nicea. Heftig werd gedebatteerd over de godheid van Christus: was hij godgelijkend of godgelijk? Uiteindelijk hakte de keizer zelf de knoop door (wezenlijk godgelijk), tegen de meerderheid van de bisschoppen in. Op dit concilie werd voor het eerst de christelijke geloofsbelijdenis van Nicea geformuleerd. Omdat de discussies bleven aanhouden werd in 381 in Constantinopel opnieuw een concilie belegd, ditmaal door keizer Theodosius, waarop verder werd gediscussieerd over het hoe van de goddelijke en menselijke natuur, samen in de ene Christus.
Het derde oecumenisch concilie werd in 431 gehouden in Efese, nog steeds over de persoon van Christus. De ketterij van het nestorianisme werd veroordeeld. Twintig jaar later was men het in zoverre eens dat op het concilie van Chalcedon (451) de tekst van een geloofsbelijdenis werd aanvaard. Hierna begint langzaam de verwijdering tussen het West- en het Oost- Europese deel van de christenheid. Na nog een onbelangrijk concilie in Constantinopel (553) werd het tweede concilie van Nicea in 787 het laatste waarin beide kerkgedeelten bijeenkwamen. In 1054 bracht het Westers Schisma de definitieve breuk. Vanaf dit jaar worden de concilies uitsluitend nog in West-Europa gehouden.
Op het Eerste Lateraans concilie (Rome, 1123) werd de investituurstrijd beslecht. Het Tweede Lateraans concilie (1139) besliste tot het verplichte celibaat voor priesters. Het Derde Lateraans concilie (1179) verbood de joden christelijk dienstpersoneel te hebben en de christenen onder de joden te wonen. Het Vierde Lateraans concilie (1215) stelde de leer van de transsubstantiatie vast en verplichtte de gelovigen tot een jaarlijkse biecht en communie.
Na concilies in Lyon (1274), Vienne (1311), Konstanz (1414-18), Basel (1431-37), Ferrara (1438) en Firenze (1439) vond in de zestiende eeuw het voor de Europese geschiedenis belangrijke Concilie van Trente plaats. Eeuwen later is dat gevolgd door het Eerste Vaticaans Concilie en in de twintigste eeuw door het Tweede Vaticaans Concilie.
Auteur
L. van Gelder [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]