Duits verbondstheoloog (zie verbondstheologie) (Bremen 9.8.1603 - Leiden 5.11.1669)
Na zijn studie te Bremen en Franeker werd Coccejus in 1636 te Franeker hoogleraar Hebreeuws, vanaf 1643 ook theologie, en werd hij in 1650 benoemd te Leiden. In het verlengde van zijn filologische en exegetische arbeid trachtte hij met behulp van het begrip verbond het historisch karakter van Gods handelen in de geschiedenis ook in de dogmatiek tot gelding te brengen. In 1648 verscheen zijn monografie over het verbond, dat een standaardwerk werd van de zeventiende-eeuwse verbondstheologie (Summa doctrinae de foedere et testamento Dei, Franeker; Leer van het verbond en testament van God, Kampen 1990).
Coccejus onderscheidde twee fundamentele gestalten van het verbond in de heilsgeschiedenis: het werkverbond dat in het paradijs was opgericht met Adam als vertegenwoordiger der gehele mensheid, en het genadeverbond dat na de zondeval met de zondige mens werd gesloten en berustte op een ‘raad des vredes’ of verbondssluiting van de drie-enige God in de hemel. Coccejus beschreef vervolgens de geschiedenis van Gods handelen als een reeks van gebeurtenissen, waarin het paradijsverbond trapsgewijs werd afgeschaft en het genadeverbond zich steeds breder ontplooide.
Het geschil tussen coccejanen en voetianen (zie *Voetius) concentreerde zich vooral op Coccejus’ uitleg van het sabbatsgebod als een ceremonieel gebod, behorend tot het werkverbond. Ook zijn onderscheid tussen zondenvergeving in het Oude Testament en Nieuwe Testament riep verzet op. Niettemin werd Coccejus’ systeem in veel opzichten bepalend voor het verbondsdenken in de gereformeerde theologie van de afgelopen drie eeuwen.
Auteur
W.J. van Asselt [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
W.J. van Asselt, Johannes Coccejus. Portret van een zeventiende-eeuws theoloog op oude en nieuwe wegen (Heerenveen 1997)
Zie ook
Johannes Coccejus (2008)