Een monnikenorde, in 1098 in Frankrijk gesticht door de benedictijn Robert van Molesmes onder de naam: Cisterciënzers van de gewone observantie (Sacer Ordo Cisterciensium, SOCist.).
De naam is afgeleid van het klooster te Cîteaux (Cistercium) bij Dijon. De stichting van de orde was een van de vele bewegingen om het benedictijnse monnikendom terug te brengen naar de oorspronkelijke strengheid en zuiverheid.
De orde onderscheidde zich van de benedictijnen doordat de kloosters weliswaar zelfstandig waren, maar tegelijkertijd onderling verbanden (congregaties) onderhielden. Deze verbanden stonden onder een hoofdabt, die waakte over de regeltucht van de aangesloten kloosters.
De orde verspreidde zich vooral in de twaalfde eeuw snel over heel Europa en heeft een zeer grote invloed gehad op de middeleeuwse cultuur. In veel streken maakten de monniken zich verdienstelijk door het ontginnen van woeste gronden, ook in de Nederlanden.
De orde raakte vanaf de vijftiende eeuw in een langzaam proces van verval, maar de negentiende eeuw liet een sterke opleving zien.
De cisterciënzers waren al in de Middeleeuwen in Nederland gevestigd maar moesten uitwijken tijdens de Reformatie. Hun huidige aanwezigheid in Nederland stamt van 1904. De orde kent ook een vrouwelijke tak: cisterciënzinnen.
Auteur
J.P.A. van Vugt [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
M. van der Plas en R. Lutz, Abdijen in de Lage Landen en de mensen die er wonen (Tielt/Baarn 1989)