Catechese is onderricht in het geloof dat de kerk aan haar (jonge) leden geeft.
De uitdrukking zelf is afgeleid van het Griekse werkwoord katèchein, dat letterlijk betekent: spreken vanaf een verhoogde plaats, van bovenaf laten klinken. In de geschriften van het Nieuwe Testament wordt het woord al gebruikt voor het geloofsonderricht in de gemeente (Gal. 6:6). In de vroege kerk vond de catechese plaats in de vorm van het catechumenaat, ontstaan in de tweede eeuw. Het gaat dan om een leer- en proefperiode van twee à drie jaar, die voorafging aan de doop. Gedurende de Middeleeuwen zonk de catechese na het inburgeren van de kinderdoop steeds meer weg. De Reformatie herstelde de catechese in ere. Het nieuwe was toen dat de catechese niet meer voorafging aan de doop, maar na de doop werd gegeven (aan kinderen). Het gedoopte kind ontving zowel in het gezin als op school en in de kerk diverse vormen van catechese, leidend naar de (openbare) belijdenis van het geloof (bij Calvijn op ongeveer twaalfjarige leeftijd).
Historisch bezien is haar verbondenheid met de doop van belang voor de identiteit van de kerkelijke catechese. Catechese is doopcatechese, hetzij voorafgaand aan de doop, hetzij erop volgend. In beide gevallen gaat het erom, dat men leert leven als gedoopt christen. Daarbij gaat het om drie lijnen: de persoonlijke relatie met God, de participatie in de christelijke gemeente en het christelijke leven in de wereld. De leerinhoud van de catechese staat in dienst van dit doel. Het gaat dan om de bijbel en de kernen van het christelijke geloof.
In de gereformeerde traditie is altijd veel aandacht besteed aan de catechese aan jongeren. De periode waarin jongeren catechese ontvingen, werd langer naarmate de leeftijd waarop men belijdenis aflegde opschoof. Nog steeds vormt in veel gemeenten de catechese een belangrijk onderdeel van het leren als basisfunctie van de gemeente. In de Rooms-Katholieke Kerk was de catechese vooral gericht op de eerste communie en het vormsel. Ze werd lange tijd op school gegeven (schoolcatechese). Tegenwoordig vindt catechese echter ook steeds meer in de parochie plaats.
De wijze waarop de catechese plaatsvindt, draagt de trekken van de tijd en de cultuur waarin deze plaatsvindt. Lange tijd bestond de catechese uit het uit het hoofd (laten) leren van de christelijke geloofswaarheid. Langzamerhand begon echter het inzicht te rijpen dat er nieuwe methoden in de catechese nodig zijn om de hele mens in het leerproces te betrekken. Zo hield anno 2000 het meeste catechesemateriaal rekening met het cognitieve, het affectieve en het attudinale aspect van de catechisanten (hoofd, hart en hand). Men zocht ook steeds naar nieuwe wegen voor organisatie en vormgeving, zoals catecheseteams en andere nieuwe werkvormen. In gemeenten waar de klassieke wijze van catechese niet meer lukte, zocht men naar alternatieven, bijvoorbeeld door aan te sluiten bij de kindernevendienst.
De term catechese heeft een verbreding ondergaan. Men spreekt nu niet alleen over kinder- en jongerencatechese, maar bijvoorbeeld ook over huwelijkscatechese, doopcatechese aan ouders en volwassenencatechese. Een geheel eigen vorm van catechese is die aan mensen met een verstandelijke beperking.
Auteur
W. Verboom [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
W. Verboom, De catechese van de Reformatie en de Nadere Reformatie (Amsterdam 1986)
E.R. Jonker, Aan het Woord komen (Zoetermeer 1992)
J.J. de Lange, Vrijwilligers in de jongerencatechese (Kampen 1993)
A. Lanser-van der Velde, Geloven leren (Kampen 2000)