Liefdadigheid, zorgen voor medemensen vanuit een gelovige bezieling.
Dit leidde tot christelijk geïnspireerde praktijken van ondersteuning van armen, zieken en ouderen (zie armenzorg). Daarnaast is caritas ook een theologisch begrip: mensen behoren elkaar naastenliefde (caritas) toe te dragen omdat zijzelf als schepsel liefde (caritas) van God hebben ontvangen. Van deze doorgaande beweging van liefde geldt God als bron: omdat God de mens liefheeft, moeten mensen elkaar liefhebben en bijstaan, vooral in nood. Caritas is geen gelijke ruil, maar een gifteneconomie van barmhartige ontferming. Het gebeurt pro Deo: omwille van God en voor God en kosteloos.
Vanaf het begin van het christendom zijn vanuit deze caritasopvatting de werken van barmhartigheid beoefend. In de Middeleeuwen boden de kloosters ziekenzorg. Daaruit ontstonden de eerste Godshuizen en gasthuizen. In toenmalige samenlevingen was sociale ongelijkheid een gegeven. ‘God heeft de standen gewild’, meenden velen tot begin twintigste eeuw. Het was de christelijke plicht van de hogere standen om minderbedeelden bij te staan. Rijke weldoeners hoopten met hun donaties verzekerd te zijn van een plaats in de hemel. Alle christenen vonden dat naastenliefde christenplicht was. Over het effect van de goede werken dachten protestanten en katholieken echter verschillend. Protestanten meenden dat de goede werken geen invloed hadden op het eeuwige zielenheil: die rechtvaardiging was voorbehouden aan God alleen.
De caritas in Nederland ontwikkelde zich gedurende de verzuiling en ontzuiling. In de negentiende eeuw boden gemeentelijke overheden wel ondersteuning aan de armen, maar was het vooral een zaak van particulier initiatief. Die overheden heetten godsdienstig neutraal, maar waren protestants gekleurd. Daarom richtten katholieken eigen voorzieningen op. Caritas gebeurde op kleine en grote schaal. Kleinschalig was de particuliere hulp van rijken die geld gaven, kleding, huisraad of voedsel. Organisatorisch complexer waren charitatieve initiatieven zoals toezicht houden op de hygiene in woningen, opvang en onderwijs aan straatkinderen, zorg voor ouderen en materiaal verschaffen om te bewerken (kleding naaien of borduren) en bezoeken van gevangenen. Vooral vrouwen uit de hogere klasse zetten zich in de negentiende eeuw daarvoor persoonlijk in. Hun mannelijke familieleden waren bestuurlijk en financieel betrokken. Soms groeiden dergelijke initiatieven uit tot instellingen die nog steeds bestaan. Grootschalig was ook de inzet van gelovigen die heel hun leven toewijdden aan de naaste in nood. In de ziekenzorg kennen we de (protestantse) diaconessen en diakenen en de (katholieke) congregaties van zusters en broeders. Congregaties van religieuzen deden ook andere liefdewerken: opvang en onderwijs aan kinderen, zorg voor gehandicapten en ouderen en de missie.
In de hedendaagse maatschappij is sociale gelijkheid het ideaal: niet aangewezen zijn op (charitatieve) gunsten, maar rechten hebben. De caritas heeft geen beste reputatie. Ze geldt als vernederend en betuttelend, zou incidentele en geen structurele hulp zijn geweest, ongelijke sociale verhoudingen hebben bestendigd, de zelfvoldaanheid van weldoeners hebben bevorderd en uit zijn geweest op godsdienstige bekering. Inderdaad ging de liefdadigheid gepaard met toezicht op de handel en wandel van de bedeelden, vooral hun zedelijk en godsdienstig gedrag. Om hulp te krijgen, moesten de armen zich gedragen volgens de burgerlijke fatsoensnormen en christelijke geloofsbeginselen van hun weldoeners. Daarom is de caritas getypeerd als instrument voor geloofsverbreiding, beschavingsoffensief en ‘zorgende macht’. Daarnaast is een herwaardering gaande. Caritas was tevens daadwerkelijke zorg aan de zwakken met een structureel institutionele impact, want legde mee de grondslag voor de verzorgingsstaat en hedendaagse zorginstellingen.
Auteur
Annelies van Heijst [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Frank L. van Loo, ‘Den arme gegeven...’ (Meppel 1981)
Cornelis Verhoeven, ‘De werken van barmhartigheid’, in: Rekenschap 42 (1995), 64-75
J. Dane (red.), Wezen en boefjes (Hilversum 1997)
Paul Moyaert, De mateloosheid van het christendom (Nijmegen 1998)
Annemieke van Drenth, Francisca de Haan, The Rise of Caring Power (Amsterdam 1999)
Annelies van Heijst, Liefdewerk ( Hilversum 2002)