Kloostergemeenschap van mannen die geen priesterwijding hebben ontvangen.
Broeders leven in gemeenschap volgens de geloften van armoede, gehoorzaamheid en zuiverheid. Broedercongregaties vormen de mannelijke versie van (overigens veel talrijker) zustercongregaties. Zij worden geleid door een algemeen overste en een algemeen bestuur, en de leden leven verspreid in afzonderlijke huizen in die plaatsen waar de congregatie haar werkzaamheden heeft. Hoewel al in de Middeleeuwen kloostergemeenschappen van mannelijke leken bestonden, kwam het model van de gecentraliseerde broedercongregatie vooral tot bloei in de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw. De tientallen broedercongregaties die toen werden opgericht, waren veelal geënt op het archetype van Broeders van de Christelijke Scholen, opgericht in Reims in 1681 door Jean-Baptiste de la Salle.
In Nederland zijn meer dan twintig broedercongregaties voor korte of lange tijd werkzaam geweest, waaronder elf van eigen bodem. Broedercongregaties zijn meestal gespecialiseerd in onderwijs, verpleging, jeugdwerk of gehandicaptenzorg, maar sommige combineren meerdere werkterreinen. De meeste hebben zich ook ingezet voor de katholieke missie in Azië, Afrika en Latijns-Amerika. Zij hebben een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van katholieke onderwijs- en zorginstellingen. In Nederland zijn de broedercongregaties als gevolg van een gebrek aan nieuwe leden (roeping) sinds 1965 gestaag kleiner geworden en sterk vergrijsd. Zij hebben hun instellingen en werkzaamheden mettertijd moeten afstoten. Sommige van hen hebben echter bloeiende vertakkingen in de voormalige missielanden, met name in Indonesië.
Auteur
J.P.A. van Vugt [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J. van Vugt, Broeders in de katholieke beweging (Nijmegen 1994)
S. Hautvast en M. Monteiro, Verbondenheid in eigenheid. Veertig jaar samenwerking Broeder-Congregaties Nederland (Nijmegen 2001)