Er zijn vier verschillende gewaden van een bisschop te onderscheiden, al naar gelang zijn functie.
In een plechtige eucharistieviering zijn de bisschoppelijke waardigheidstekenen: de mijter, de kromstaf, de bisschopsring en het borstkruis. Vóór 1969 ook pontificale kousen en schoenen en pontificale handschoenen, en onder het kazuifel een tuniek en een dalmatiek. Het koorgewaad is een paarse toga met een paarse sjerp; daarover een wit linnen rochet en een paars schoudermanteltje dat van voren met knoopjes gesloten is. Het borstkruis en de bisschopsring. Op het hoofd een paars kalotje en/of een paarse bonnet. Als ambtgewaad buiten de liturgie geldt: een zwarte toog met paarse biezen, waarvan de knoopjes en de knoopsgaten ook paars zijn. Om het middel een paarse sjerp met franjes. Aan de ringvinger van de rechterhand de bisschopsring. Op het hoofd een paars kalotje en om de hals een borstkruis.
De dagelijkse kleding is in ons land een zwart klerikaal kostuum (clergé), het borstkruis en de ring.
Auteur
Casper Staal [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]