Boetesacrament in de katholieke kerk, het sacrament van de verzoening met God en met de kerk.
De biecht groeide vanaf het einde van de tweede eeuw als een soort herneming van het doopsel. Tot de zevende eeuw bleef hij beperkt tot eenmalige remedie met een publiekkerkelijk karakter (canoniek regime) voor zware fouten die een breuk met het doopsel impliceerden. Vanaf de zevende eeuw ontstaat de praktijk van de herhaalbare biecht. De zondaar belijdt dan zijn zonden aan een priester, die vervolgens een getarifeerde boete oplegt (regime van de tariefboete). Nadat de boete is volbracht, ontvangt de boeteling de absolutie.
In de twaalfde eeuw groeit het moderne regime van de privé-biecht. Het accent verschuift nu naar de private belijdenis die tot het sacrament zelf gaat behoren, en waarop de absolutie onmiddellijk aansluit. De biecht kent nu vier wezenlijke elementen: belijdenis, berouw, absolutie en penitentie. Later groeide de praktijk, naast de verplichte paasbiecht, van een viertal keer biechten per jaar; een minderheid beoefende de devotionele biechtpraktijk, soms tot wekelijks.
Zo combineert de biecht in zijn moderne gestalte de functies van verzoening na falen, en geestelijke begeleiding op de weg van de evangelische vervolmaking. Hoewel de Reformatie slechts twee sacramenten erkent, aarzelde Luther omtrent de biecht, en erkende Melanchthon de biecht als sacrament. De biechtpraktijk kende een sterke daling. Een bescheiden herontdekking van de biecht is er in het kader van pelgrimages, de Wereldjongerendagen, Taizé en dergelijke.
Auteur
Stijn van den Bossche [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
K. Depoortere, Wij zijn van U met al ons kwaad. Over zonde, verzoening en biecht (Tielt 1984)
G.J.N. de Korte, Pastoraat van de verzoening (Zoetermeer 1994)
Tijdschrift voor Liturgie. Wegen naar vergeving en verzoening 81 (1997) nr. 1-2
G. Lukken, J. de Wit (red.), Gebroken bestaan. Rituelen rond vergeving en verzoening (Hilversum 1998-1999)