Uitdrukking waarin twee aspecten onderscheiden kunnen worden. Het eerste raakt het belijden van de kerk, het tweede de persoonlijke geloofsbelijdenis van de gelovigen.
Voor beide aspecten geldt dat ze onlosmakelijk met het christelijke geloof verbonden zijn. In de geschriften van het Nieuwe Testament lezen we daar diverse voorbeelden van. Voor belijden wordt het woord homologein gebruikt, dat ‘openlijk uitspreken’ betekent. Romeinen 10:9: met de mond belijden dat Jezus de Heer is en met het hart geloven dat God hem uit de doden opgewekt heeft. Een ander voorbeeld is de belijdenis van Petrus in Mattëus 16:16: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.’ In Filippenzen 2:5-11 is het belijden verbonden met de lofprijzing (doxologie) in de samenkomst van de gemeente. Het geloof wil beleden worden in de situatie waarin men zich bevindt, vooral daar waar het erop aankomt te getuigen dat Jezus de Kurios (Heer) is.
In de belijdenis van het christelijke geloof tekende zich al vroeg een trinitarische lijn af. In de tweede eeuw beleed men bij de doop in de vroege kerk: ‘Ik geloof in God de Vader, ik geloof in God de Zoon, ik geloof in God de Heilige Geest.’
Wat het eerste aspect betreft: de schriftelijke neerslag van de belijdenis van de kerk heeft geleid tot het ontstaan van belijdenisgeschriften, die door de kerk officieel zijn aanvaard. Daarnaast kent de kerk ook geschriften van belijdende aard, die niet op een lijn staan met de belijdenisgeschriften, maar waarin het actuele belijden zich toespitst, zoals de Barmer Thesen (1934). Daarnaast zijn er belijdende geschriften die een oecumenisch doel dienen, zoals de Konkordie van Leuenberg (1973) en het Lima-rapport: Baptism, Eucharist and Ministry (1982). Ook kan de kerk zich in bepaalde omstandigheden richten tot de overheid, om in verband met concrete gebeurtenissen van haar geloof te getuigen.
De belijdenis neemt in de ecclesiologie (leer van de kerk) een belangrijke plaats in. Ze bepaalt de identiteit van de kerk. Ze is de keerzijde van het verbond als grondleggende notie in het kerk zijn. In het verbond gaat het erom dat God zijn heil aan mensen belooft. In de belijdenis gaat het om het antwoord van mensen op die belofte. Daarbij gaat het erom dat niet het verbond afhankelijk is van de belijdenis, maar de belijdenis van het verbond. In kerken van gereformeerde signatuur is het gebruik dat kandidaten tot de heilige dienst beloven, te zullen blijven in de weg van het belijden der kerk. Ook het jawoord bij de aanvaarding van een ambt in de kerk bevat de belofte trouw te zijn aan de belijdenis. De kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland gebruikt om de trouw aan de belijdenis en de belijdenisgeschriften uit te drukken de woorden: ‘in gemeenschap’ met de belijdenis van het voorgeslacht. Sommigen vinden deze term te vaag en pleiten voor de term ‘in overeenstemming’ met de belijdenis. Overigens weert de kerk wat haar belijden weerspreekt.
Voor de belijdenis worden diverse beelden gebruikt, zoals een staf (om te gaan), een stok (om te slaan), een tolk, stemvork, bedding of gids.
Voor het tweede aspect, het persoonlijke belijden van het geloof, is een voorbeeld te vinden in het Nieuwe Testament in Handelingen 8:37, waar de kamerling uit Morenland belijdt dat Jezus Christus de Zoon van God is. Daarmee spreekt hij de kern van de christelijke belijdenis uit. Het persoonlijk belijden van het geloof leidde in de vroegchristelijke gemeenten tot botsingen met de heersende cultuur, waarin voor Jezus als de Kurios geen plaats was. De persoonlijke geloofsbelijdenis kreeg in de vroege kerk vaste vorm bij het ontvangen van de doop. De dopeling sprak dan openlijk het geloof uit in de drie-enige God. In de kerken van de Reformatie kent men het gebeuren van de openbare geloofsbelijdenis in het midden van de gemeente. Deze gaat terug op de instelling, die in de zestiende eeuw in de plaats van het rooms-katholieke sacrament van het vormsel kwam. De vormgeving ervan kende verschillende varianten; nu eens ging het om kinderen van ongeveer twaalf jaar, dan weer was er sprake van een hogere leeftijd. De reformator M. Bucer kende de handoplegging (confirmatie), terwijl anderen deze afwezen omdat deze handeling te veel herinnerde aan het vormsel. In de ene gemeente vond de geloofsbelijdenis plaats voor (een afvaardiging van) de kerkenraad, in de andere gemeente was sprake van een belijdenis te midden van de gemeente.
In de loop van de zeventiende eeuw, toen de Gereformeerde Kerk in ons land een publieke kerk was geworden, trad een veruitwendiging op in het afleggen van de openbare geloofsbelijdenis. Velen zagen het belijdenis doen als een formeel gebeuren, waardoor men lidmaat van de kerk werd. Het ging dan niet meer om een belijden van het persoonlijke geloof, maar om een instemmen met de geloofswaarheden van de kerk. Men sprak lange tijd ook niet over de openbare geloofsbelijdenis, maar over de bevestiging van lidmaten. Ook werd de openbare geloofsbelijdenis ontkoppeld van deelname aan het avondmaal. In de negentiende eeuw kreeg het belijdenis doen het karakter van het volwassen worden. Dat bracht een verschuiving naar een hogere leeftijd met zich mee. Het gaat dan om het gebeuren rond Palmpasen, waardoor nieuwe lidmaten de rechten en plichten kregen die bij een volwaardig lidmaatschap van de kerk behoorden. Met het voortschrijden van de secularisatie is het vanzelfsprekende karakter van het doen van belijdenis verdwenen. Het afleggen van de openbare geloofsbelijdenis is veel meer een bewuste keus geworden. Wie als kind al gedoopt is, aanvaardt in het afleggen van de geloofsbelijdenis zijn doop. Men geeft ook te kennen mee te leven met de gemeente, vraagt toegang tot het avondmaal en belijdt als christen te willen leven.
Voor diegenen die als kind niet gedoopt zijn, gaat het afleggen van de openbare geloofsbelijdenis gepaard met het ontvangen van de doop. In de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland worden naast de reguliere vorm van belijdenis doen ook andere mogelijkheden geboden. Zo kunnen ouders die hun kind laten dopen, tegelijk hun geloof belijden. Een soortgelijke mogelijkheid is gecreëerd voor hen die een ambt in de kerk aanvaarden.
Auteur
W. Verboom [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
K.H. Miskotte, De kern van de zaak (Nijkerk 1950)
G.P. Hartvelt, Symboliek (Kampen 1991)
W. Verboom, ‘De openbare geloofsbelijdenis’, in Theologia Reformata, 1991, XXXIV, 29-53
R.L. Browning/R.A. Reed, Models of Confirmation (Birmingham 1995)
C. Graafland, Bijbels en daarom gereformeerd (Zoetermeer 2001)
M. Barnard e.a. (red.), Protestants geloven (Zoetermeer 2003)