Vorm van religieus leven, ontstaan in de dertiende eeuw.
Tot dan toe kende men vooral de monastieke vorm: monniken die heel hun leven binnen kloostermuren leefden in gebed, contemplatie, handwerk en beoefening van de wetenschap. Zij voorzagen in hun levensonderhoud door de opbrengst van hun grondbezit. Zij leefden zo naar het voorbeeld van de oergemeente te Jeruzalem (Hand. 4:32-35).
Veranderde tijdsomstandigheden vroegen om een dynamischer vorm van kloosterleven, waarin de kloosterlingen zich niet alleen aan contemplatie zouden wijden maar ook actief konden meedoen in het apostolaat. Deze levensvorm heette vita mixta, een mengvorm van contemplatie en actie die kenmerkend is voor bedelorden. Ze organiseerden zich daarom niet per klooster, maar per provincie; per gemeenschap van broeders binnen een omgrensd gebied, met verscheidene kloosters. Daar woonden zij voor een bepaalde tijd, al naar gelang de eisen van hun apostolaat. Zij leefden niet van de opbrengst van hun bezittingen, maar van wat zij ontvingen aan aalmoezen en giften, of als vergoeding voor bewezen diensten. Zij hadden persoonlijk geen bezit en ook niet als gemeenschap. Mocht er niets zijn om van te leven, dan gingen zij uit bedelen. Met deze levenswijze meenden zij aan te sluiten bij het leven dat Jezus en zijn apostelen hadden geleid.
De bedelorden waren niet alleen nieuw vanwege de combinatie van contemplatie en actie en de wijze waarop zij arm waren, maar ook vanwege hun organisatie-structuur, die democratisch is. De leden kiezen hun leiders voor bepaalde tijd, en niet voor het leven, zoals dat bij abten het geval is.
Tot de bedelorden behoren nu nog de franciscanen, kapucijnen, conventuelen, dominicanen, karmelieten en augustijnen. In de wijze van levensonderhoud en de armoede zijn aanpassingen gedaan aan de veranderende tijden.
Auteur
J. van den Eijnden [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]