Het avondmaal is een belangrijke plechtigheid in de protestantse kerk. De Nederlandse geloofsbelijdenis (1561) stelt dat Jezus Christus het sacrament van het heilig avondmaal heeft verordend en ingesteld.
Daarbij wordt gedoeld op het moment van de avond voor zijn lijden en sterven (1 Kor. 11: 24-25). De kerk bedient het avondmaal als een maaltijd waarin zij de dood van haar Heer gedenkt. Naast de doop dient de deelname aan het avondmaal als tweede sacrament tot versterking van het geloof en de onderlinge gemeenschap. De Heidelbergse catechismus zegt ‘dat wij zo waarachtig door de werking van de Heilige Geest deel krijgen aan het ware lichaam en bloed van Christus, als wij de heilige tekenen met onze mond tot zijn gedachtenis ontvangen’. In gebroken brood en vergoten wijn als het zichtbare Woord, ontvangen de gelovigen het teken en de bezegeling dat al hun zonden vergeven zijn om de verdiensten van Christus. Zo oefent de gemeente in het avondmaal de gemeenschap met Christus en met elkaar. Ook is er een eschatologisch moment in de avondmaalsviering: de gemeente ziet uit naar de wederkomst van Christus (1 Kor. 11: 26).
In de loop der eeuwen is het avondmaal in haar betekenis en functie aan allerlei veranderingen onderhevig geweest. Vanaf de tweede eeuw kreeg het avondmaal steeds meer de betekenis van een offer (zie: eucharistie). Ook zag men het steeds meer zo, dat brood en wijn door de instellingswoorden van de priester veranderen in het lichaam en bloed van Christus (transsubstantiatie). Volgens deze opvatting is Christus lichamelijk en werkelijk in het avondmaal aanwezig. De Reformatie brak hiermee en ging verschillende wegen.
Luther bleef met zijn avondmaalsleer dicht bij Rome. Zwingli verwijderde zich er het verst van, door te spreken over het avondmaal als een gedachtenismaaltijd. Calvijn sloeg een brug tussen beiden door te leren dat Christus door zijn geest werkelijk aanwezig is in het avondmaal. In de gereformeerde traditie is deze opvatting van Calvijn overgenomen. Ze is te vinden in de confessie en in het gereformeerde avondmaalsformulier dat sinds de Reformatie in ons land wordt gebruikt. In kerken van gereformeerde signatuur is het gebruik dat men toegelaten wordt tot het avondmaal nadat men de openbare belijdenis des geloofs heeft afgelegd. Calvijn voert hiervoor een pleidooi in zijn Institutie (1559, IV.19.13). Zo is er sprake van de trits: kinderdoop – catechese/belijdenis – avondmaal. Rondom de avondmaalsviering wordt tucht geoefend. Lidmaten die zich schuldig maken aan openbare zonden kunnen van het avondmaal geweerd worden. Pas na hun schuldbelijdenis worden zij weer toegelaten.
In veel gemeenten wordt het avondmaal vier keer per jaar gehouden, in andere gemeenten vaker. Verder is bekend de drieslag: de voorbereiding op – de viering van – en de dankzegging voor het avondmaal. Bij de voorbereiding wordt vanuit het klassiek gereformeerde avondmaalsformulier gewezen op de oefening in de kennis van ellende, verlossing en dankbaarheid. De laatste decennia is in meerdere gemeenten de mogelijkheid ontstaan dat kinderen deelnemen aan het avondmaal. In de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland wordt het beleid hierover in de handen gelegd van de kerkenraad. De Evangelisch-lutherse kerk kende al lang de praktijk van een open avondmaalsviering. In nieuwere avondmaalsformulieren worden deze ontwikkelingen weerspiegeld.
Auteur
W. Verboom [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
W. van ’t Spijker e.a. (red.), Bij brood en beker (Goudriaan 1980)
W. van ‘t Spijker, Zijn verbond en woorden (Kampen 1991 2de druk)
H. Berkhof, Christelijk geloof (Nijkerk 1990 6de druk)
J. van Beelen, Doet dit tot Mijn gedachtenis (Leiden 1996)