Heilige en kerkvader (Thagaste 13.11.354 - Hippo 28.8.430)
Feestdag in de Rooms-Katholieke Kerk op 28 augustus. Aurelius Augustinus werd geboren in Thagaste (Noord-Afrika) als zoon van een niet-christelijke vader, Patricius, en een christelijke moeder, Monnica. Hij krijgt onderricht in de retorica te Madaura en Carthago. In 372 krijgen zijn concubine en hij een zoon, Adeodatus.
In 373 doet de Hortensius van Cicero hem inzien dat de wijsbegeerte de weg tot geluk is en wordt hij manicheeër (manicheïsme). Negen jaar zou hij met hen verbonden blijven. Nadat hij tot 383 in Thagaste en vooral in Carthago retorica had gedoceerd, vestigt Augustinus zich in Rome en wordt leraar van de zonen van senator Symmachus, die hem voordraagt als staatsretor aan het keizerlijk hof te Milaan. Ook in Milaan blijft hij doceren. De bisschop van de stad, Ambrosius, doet hem de waarde van het neoplatonisme inzien en opent hem de ogen voor de Schrift.
In de zomer van 386 legt hij, door een longaandoening verzwakt, het ambt van staatsretor neer en trekt hij zich met een aantal vrienden terug op het landgoed Cassiciacum. Daar schrijft hij enkele filosofische werken waarin hij de menselijke rede en een goede levensordening als weg naar God verklaart. In 387 wordt hij door de bisschop gedoopt. Hij keert daarop met enige vrienden terug naar Thagaste om er een gemeenschap van lekenmonniken te stichten. Tijdens een bezoek in Hippo wordt hij daar tegen zijn zin in 391 tot priester gekozen. In 396 tot bisschop van deze stad gewijd, sticht hij een leefgemeenschap van clerici. Voor hen schrijft hij zijn regel (Praeceptum). Als bisschop betoonde hij zich een uiterst begaafd predikant, een bewogen pastor en een gezaghebbend auteur. Hij toont zich strijdvaardig in zijn geschriften tegen de donatisten.
Vanaf 391 tot circa 410 voerde hij strijd tegen deze regionaal machtige kerk omdat hij de reden van hun ontstaan onjuist vond, hun kerkbeeld te weinig missionair en hun heiligheidsopvatting te beperkt. Er werd te weinig inspanning van de mens zelf gevraagd. Niet minder slagvaardig is hij in zijn werken tegen de augustinus pelagianen. Pelagius streefde ernaar de mens voor morele luiheid te behoeden. Daarom loochenden hij en zijn volgelingen de erfzonde en meenden zij dat de mens op eigen kracht tot verlossing kon komen. Augustinus achtte hun optimisme ongegrond en benadrukte de noodzaak van Gods genade. De strijd tussen Pelagius en Augustinus werd op het Concilie van Carthago (418) in het voordeel van de laatste formeel beslecht, maar de pelagiaanse kwestie bleef tot aan zijn dood aandacht opeisen.
Monumentaal zijn de Belijdenissen (Confessiones): dertien boeken waarin Augustinus zijn leven ordent voor God en in de laatste drie boeken over God als Vader, Zoon en Geest nadenkt. In Over de Drie-eenheid (De Trinitate) gaat hij hier op door. Belangwekkend zijn voorts de 22 boeken van De stad Gods (De civitate Dei). Hierin verdedigt hij tegenover geletterde heidenen het christendom als ware godsdienst en geeft hij zijn ideeën over de sociale en maatschappelijke orde weer. Augustinus sterft tijdens de belegering van Hippo door de Vandalen. Zijn lichaam rust thans in Pavia (Italië).
Auteur
P. van Geest [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
F. van der Meer, Augustinus de zielzorger. Een studie over de praktijk van een kerkvader (Brussel-Utrecht 1947)
A. Fitzgerald (ed.), Augustine through the Ages. An Encyclopedia (Grand Rapids 1999)
P. Brown, Augustine of Hippo. A Biography (Berkeley 2000 2e druk [vert.])
P. van Geest, H. van Oort (ed.), Augustiniana Neerlandica. Aspecten van de spiritualiteit van Augustinus en haar doorwerking (Leuven 2005)
Zie ook
Aurelius Augustinus (2009)